Verordening voor de fysieke leefomgeving (geldig vanaf 5 september 2009)

Verordening voor de fysieke leefomgeving

Geldig sinds 05 september 2009. Versies
Geldig tot 22 december 2009.

Inhoud van deze regeling

Inhoudsopgave Verordening voor de fysieke leefomgeving Flevoland

Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen 3
Hoofdstuk 2. Stortplaatsen en afvalwater 5
Titel 2.1 Nazorg gesloten stortplaatsen
Titel 2.2 Afvalwater
Hoofdstuk 3. Bodemsanering 6
Titel 3.1 Landbodemsanering
Titel 3.2 Waterbodemsanering
Hoofdstuk 4. Bijzondere gebieden 10
Titel 4.1 Aanwijzing milieubeschermingsgebieden algemeen
Titel 4.2 Zorgplicht en meldplicht
Titel 4.3 Milieubeschermingsgebieden voor grondwater
Titel 4.4 Milieubeschermingsgebieden voor stilte
Titel 4.5 Andere gebieden
Hoofdstuk 5. Waterhuishouding 16
Titel 5.1 Waterhuishoudingsplan
Titel 5.2 Waterbeheerplan
Titel 5.3 Peilbesluiten
Titel 5.4 Normering watersystemen
Hoofdstuk 6. Grondwateronttrekkingen 19
Titel 6.1 Registratie- en meldingsplicht
Titel 6.2 Uitzondering vergunningplicht
Titel 6.3 Algemene regels
Titel 6.4 Vergunning
Hoofdstuk 7. Primaire waterkeringen 22
Hoofdstuk 8. Regionale waterkeringen 23
Hoofdstuk 9. Wegen en vaarwegen 25
Hoofdstuk 10. Ontgrondingen 27
Hoofdstuk 11. Bescherming landschap 28
Hoofdstuk 12. Handhaving 30
Hoofdstuk 13. Procedurebepalingen ontheffingen 30
Hoofdstuk 14. Overgangs- en slotbepalingen 31
Bijlagen 33
Kaarten 38

Toelichting op de Verordening voor de fysieke leefomgeving Flevoland

ALGEMEEN 39
§ 1. Inleiding 39
§ 2. Achtergrond en aanleiding 39
§ 3. Deregulering 40
§ 4. Relatie met nationale wetgevingstrajecten 42
§ 5. Welke verordening zijn geïntegreerd 44
§ 6. Opzet van de verordening 44
§ 7. Rechtsbescherming 45
§ 8. Handhaving 45
§ 9. Administratieve lasten 46
HOOFDSTUK EN ARTIKELGEWIJZE TOELICHTING 48
Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen 48
Hoofdstuk 2. Stortplaatsen en afvalwater 48
Hoofdstuk 3. Bodemsanering 51
Hoofdstuk 4. Bijzondere gebieden 56
Hoofdstuk 5. Waterhuishouding 66
Hoofdstuk 6. Grondwateronttrekkingen 70
Hoofdstuk 7. en 8. Primaire en regionale waterkeringen 73
Hoofdstuk 9. Wegen en vaarwegen 77
Hoofdstuk 10. Ontgrondingen 79
Hoofdstuk 11. Bescherming landschap 82
Hoofdstuk 12. Handhaving 87
Hoofdstuk 13. Procedurebepalingen ontheffingen 88
Hoofdstuk 14. Overgangs- en slotbepalingen 89

PROVINCIALE STATEN VAN FLEVOLAND

Gelezen het voorstel van het college van gedeputeerde staten van Flevoland nummer 475067;

Gelet op het bepaalde in de Wet op de waterhuishouding, de Grondwaterwet, de Ontgrondingenwet, de Wet milieubeheer, de Wet bodembescherming, de Wegenwet, de Wegenverkeerswet 1994 en de Provinciewet;

Gezien het advies van de commissie Ruimte van de provinciale staten van Flevoland van d.d. 17 januari 2007;

BESLUITEN

Vast te stellen de hoofdstukken 1, 2, 3, 4, 5, 6, 8, 9, 10, 11, 12, 13 en 14 van de Verordening voor de fysieke leefomgeving Flevoland.

PROVINCIALE STATEN VAN FLEVOLAND, FRYSLÂN EN OVERIJSSEL

Gelezen het voorstel van het college van gedeputeerde staten van Flevoland nummer 475067, het college van gedeputeerde staten van Fryslân nummer 678277 en het college van gedeputeerde staten van Overijssel nummer 2007/0090394;

Gelet op het bepaalde in de Wet op de waterkering;

BESLUITEN IEDER VOOR ZOVER HET HUN BEVOEGDHEID BETREFT:

Vast te stellen hoofdstuk 7 en de artikelen 1.1, onder a, b, d, e, h, q, z, ff, gg, jj, 5.4, 14.1 voorzover het artikel van toepassing is op dijkring 7, 14.3, eerste en tweede lid en 14.9 van de Verordening voor de fysieke leefomgeving Flevoland.

Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen

Artikel 1.1 Begripsbepalingen

In deze verordening wordt verstaan onder:

  • a. algemene vergadering: de Algemene Vergadering van Waterschap Zuiderzeeland;
  • b. beheerder van de waterkering: de beheerder, bedoeld in artikel 1 van de Wet op de waterkering, dan wel het bestuursorgaan waarbij een regionale waterkering in beheer is;
  • c. boorput: een door boring of verdringing gevormde kokervormige al dan niet opgevulde diepte;
  • d. college van dijkgraaf en heemraden: het college van dijkgraaf en heemraden van Waterschap Zuiderzeeland;
  • e. dijkringgebied: een dijkringgebied als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de waterkering;
  • f. evaluatieverslag: een verslag als bedoeld in artikel 39c, eerste lid, van de Wet bodembescherming;
  • g. evenementen: tijdelijke, niet routegebonden activiteiten zoals feesten, markten en braderieën;
  • h. gedeputeerde staten: het college van gedeputeerde staten van Flevoland;
  • i. geluidsniveau: geluidsniveau gemeten en berekend volgens voorschriften gegeven bij of krachtens de Wet geluidhinder;
  • j. geluidsbron: inrichting, toestel, hetgeen daaronder wordt verstaan in de Wet geluidhinder en activiteit in het kader van de ontwikkeling of bestemming van de in een streek-, structuur- of bestemmingsplan begrepen gronden;
  • k. geluidsapparaat, toestel, motorvoertuig en bromfiets: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van de Wet geluidhinder;
  • l. gesloten stortplaats: een stortplaats als bedoeld in artikel 8.47, eerste lid, onder b, van de Wet milieubeheer;
  • m. grondsanering: het verrichten van handelingen met het oogmerk het beperken en zoveel mogelijk ongedaan maken van verontreiniging en de directe gevolgen daarvan of van dreiging van verontreiniging van de grond;
  • n. grondwatersanering: het verrichten van handelingen met het oogmerk het beperken en ongedaan maken van verontreiniging en de directe gevolgen daarvan of van dreiging van verontreiniging van het grondwater;
  • o. infiltratie: water in de bodem brengen ter aanvulling van het grondwater met het oog op het onttrekken van grondwater;
  • p. inrichting: onder een inrichting als bedoeld in de hoofdstukken 2 en 4 wordt verstaan een inrichting als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer. Onder een inrichting als bedoeld in hoofdstuk 6 wordt bedoeld een inrichting als bedoeld in artikel 1, eerste lid van de Grondwaterwet;
  • q. invloedszone: de strook grond ter weerszijden van een primaire of regionale waterkering, die bijdraagt aan de stabiliteit van de waterkering;
  • r. milieubeschermingsgebied: een gebied als bedoeld in artikel 1.2 tweede lid van de Wet milieubeheer;
  • s. nazorgvoorzieningen: de voorzieningen ter bescherming van het milieu, bedoeld in artikel 8.49, eerste en tweede lid, van de Wet milieubeheer;
  • t. nazorgplan: een nazorgplan als bedoeld in artikel 39d, eerste lid van de Wet bodembescherming
  • u. noodvoorziening: een inrichting voor het incidenteel onttrekken van grondwater voor de bestrijding van brand of andere calamiteiten, waaronder mede wordt verstaan brandputten, koeling van noodstroomaggregaten, sprinklerinstallaties en dergelijke.
  • v. openbare vaarweg: elk binnen de provincie gelegen water dat openstaat voor openbaar scheepvaartverkeer met alle bijbehorende werken, voorzieningen en begroeiingen;
  • w. openbare weg: wegen die openbaar zijn in de zin van de Wegenwet met inbegrip van verhardingen, bermen, en bermsloten, met alle bijbehorende werken of op enigerlei wijze daarmee verbonden voorzieningen en begroeiingen;
  • x. oppervlaktewaterlichaam: samenhangend geheel van vrij aan het aardoppervlak voorkomend water, met de daarin aanwezige stoffen, alsmede de bijbehorende waterbodem en oevers, flora en fauna;
  • y. pompcapaciteit: het maximum wateropbrengend vermogen van een inrichting in kubieke meters per uur;
  • z. primaire waterkering: een primaire waterkering als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de waterkering;
  • aa. reconstrueren: het aanbrengen van wijzigingen op of aan een weg, parkeergelegenheid, terrein voor zover dit - al dan niet tijdelijk - voor gemotoriseerd verkeer openstaat, waterweg of spoorweg, die verandering brengt in de bestaande of te verwachten risico's voor de grondwaterkwaliteit. Onder reconstrueren wordt niet verstaan het uitvoeren van de gebruikelijke onderhoudswerkzaamheden;
  • bb. saneringsplan: een plan, bedoeld in artikel 39, eerste lid, van de Wet bodembescherming;
  • cc. schadelijke stoffen: stoffen, combinaties van stoffen, preparaten of andere producten, in welke vorm ook, waarvan hetzij in het algemeen, hetzij in het gegeven geval kan worden verwacht dat ze - op of in de bodem gebracht of gerakend - de bodem verontreinigen of kunnen verontreinigen;
  • dd. uitweg: elke rechtstreekse, in de zin van de Wegenwet niet openbare ontsluitingsmogelijkheid naar of vanaf een in deze verordening bedoelde openbare weg;
  • ee. verkeer: voertuigen zoals beschreven in de Wegenverkeerswet;
  • ff. vrijwaringszone: de ruimte rond een primaire of regionale waterkering, die naar het oordeel van de beheerder van de waterkering nodig is voor een toekomstige versterking van de waterkering;
  • gg. waterbeheersplan: een plan als bedoeld in artikel 9 van de Wet op de waterhuishouding;
  • hh. watergang: een waterloop die noodzakelijk is voor de aan- en afvoer van water;
  • ii. waterhuishoudingsplan: het provinciaal plan voor de waterhuishouding als bedoeld in artikel 7 van de Wet op de waterhuishouding. Dit plan maakt deel uit van het Omgevingsplan Flevoland 2006;
  • jj. watersysteem: een samenhangend geheel van een of meer oppervlaktewaterlichamen en grondwaterlichamen, met bijbehorende bergingsgebieden, waterkeringen en ondersteunende kunstwerken;
  • kk. werk: een grondwerk, wegenbouwkundig werk, waterbouwkundig werk of bouwwerk.

Hoofdstuk 2. Stortplaatsen en afvalwater

Titel 2.1 Nazorg gesloten stortplaatsen

Artikel 2.1 Verbodsbepaling

  • 1. Het is verboden in, op, onder of over een plaats waar de in artikel 8.49 van de Wet milieubeheer bedoelde zorg met betrekking tot een gesloten stortplaats wordt uitgevoerd:
    • a. werken te maken of te behouden;
    • b. stoffen of voorwerpen, niet zijnde afvalstoffen, te storten, te plaatsen of neer te leggen, of deze te laten staan of liggen;
    • c. andere dan de onder a of b bedoelde handelingen te verrichten indien die handelingen de uitvoering van de maatregelen, bedoeld in artikel 8.49, eerste lid, van de Wet milieubeheer, kunnen belemmeren, dan wel de nazorgvoorzieningen kunnen beschadigen.
  • 2. Het eerste lid is niet van toepassing op:
    • a. het treffen van maatregelen als bedoeld in artikel 8.49 van de Wet milieubeheer;
    • b. handelingen die betrekking hebben op het oprichten, veranderen of in werking hebben van een inrichting of op het veranderen van de werking daarvan.

Artikel 2.2 Ontheffing

Gedeputeerde staten kunnen ontheffing verlenen van het in artikel 2.1, eerste lid, gestelde verbod indien het belang dat de gesloten stortplaats geen nadelige gevolgen voor het milieu veroorzaakt, zich daartegen niet verzet.

Artikel 2.3 Aanvraag ontheffing

De aanvraag om ontheffing, bedoeld in artikel 2.2, bevat tenminste de volgende gegevens en bescheiden:

  • a. naam en adres van de aanvrager;
  • b. het voorgenomen gebruik van de gesloten stortplaats en van het gebied waarin nazorgvoorzieningen zijn gelegen;
  • c. het adres, de kadastrale aanduiding en een kadastrale kaart, die uiterlijk dertien weken voor de aanvraag van de ontheffing door het kadaster is afgegeven, waarop het grondgebied van het voorgenomen gebruik als bedoeld onder b is aangegeven;
  • d. de naam en het adres van een ieder die een zakelijk of een persoonlijk recht heeft op het grondgebied bedoeld onder c;
  • e. een overzicht van de benodigde vergunningen, meldingen en toestemmingen om het voorgenomen gebruik te kunnen realiseren;
  • f. de maatregelen die worden getroffen om:
    • 1. de bereikbaarheid van de nazorgvoorzieningen te garanderen;
    • 2. aantasting van de nazorgvoorzieningen te voorkomen;
    • 3. anderszins de uitvoering van de nazorg niet te belemmeren;
  • g. de wijze van evaluatie van en rapportage over de uitvoering van de onder f bedoelde maatregelen.

Titel 2.2 Afvalwater

Artikel 2.4 Aanvraag ontheffing

De aanvraag om een ontheffing als bedoeld in artikel 10.33, tweede lid, van de Wet milieubeheer bevat tenminste de volgende gegevens en bescheiden:

  • a. het gemeentelijk rioleringsplan bedoeld in artikel 4.22 van de Wet milieubeheer of, indien het plan nog niet is vastgesteld, een overzicht van de aanwezige voorzieningen en de overige gegevens, bedoeld in artikel 4.22, tweede lid van de Wet milieubeheer, voor dat deel van de gemeente waarop de aanvraag om ontheffing betrekking heeft;
  • b. een overzicht van de lozingssituatie in dat deel van de gemeente waarop de aanvraag om ontheffing betrekking heeft;
  • c. een weergave van de gevolgen voor het milieu wanneer geen voorzieningen voor de inzameling en het transport van afvalwater worden getroffen;
  • d. een weergave van de alternatieve voorzieningen voor verwerking van het afvalwater van de betreffende percelen;
  • e. het advies of het resultaat van het overleg dat is gevoegd met de waterbeheerder.

Hoofdstuk 3. Bodemsanering

Titel 3.1 Landbodemsanering

Artikel 3.1 Aanvraag

  • 1. Het rapport van het nader onderzoek als bedoeld in artikel 29 van de Wet bodembescherming, het saneringsplan, het evaluatieverslag, het nazorgplan en de melding als bedoeld in artikel 28 van de Wet bodembescherming worden met de daarbij behorende stukken in vijfvoud bij gedeputeerde staten ingediend op een door gedeputeerde staten vastgesteld formulier.
  • 2. Bij de indiening van stukken, genoemd in het eerste lid, worden in ieder geval vermeld het adres, de kadastrale aanduiding en de ligging van het grondgebied waarop de verontreiniging zich bevindt, aangegeven op een kadastrale kaart die de actuele situatie van de verontreiniging aangeeft.
  • 3. Bij de melding, bedoeld in artikel 28, eerste lid van de Wet bodembescherming wordt, onverminderd het bepaalde in artikel 28, tweede lid van de Wet bodembescherming, in ieder geval vermeld;
    • a. de naam en het adres van degene die een zakelijk of een persoonlijk recht heeft op het grondgebied, bedoeld in het tweede lid, alsmede van de gebruiker daarvan;
    • b. de naam en het adres van degene in wiens opdracht de sanering zal plaatsvinden dan wel handelingen zullen worden verricht ten gevolge waarvan de verontreiniging van de bodem wordt verminderd of verplaatst.

Artikel 3.2 Inhoud saneringsplan

Onverminderd het bepaalde in artikel 39, eerste lid, van de Wet bodembescherming worden in het saneringsplan de volgende gegevens vermeld:

A. Algemene gegevens
  • 1° het huidige en toekomstige gebruik van het grondgebied waarop de verontreiniging zich bevindt, alsmede de bestemming die op dit grondgebied rust volgens het vigerende bestemmingsplan;
  • 2° de naam en het adres van degene die een zakelijk of een persoonlijk recht heeft op het grondgebied, bedoeld onder 1°, alsmede van de gebruiker daarvan;
  • 3° de naam en het adres van degene in wiens opdracht de sanering zal plaatsvinden;
  • 4° de naam en het adres van degene die de sanering feitelijk uitvoert;
  • 5° een tijdschema met een planning van de werkzaamheden, waarbij in ieder geval de datum is aangegeven, waarop met de sanering naar verwachting zal worden begonnen;
  • 6° de argumentatie dat voldaan wordt aan artikel 38, eerste lid van de Wet bodembescherming;
  • 7° indien de sanering in fasen wordt uitgevoerd, als bedoeld in artikel 38, derde lid van de Wet bodembescherming: de voorgenomen fasering, alsmede de argumentatie om de sanering gefaseerd uit te voeren;
  • 8° indien een deelsanering wordt uitgevoerd, als bedoeld in artikel 40, eerste lid van de Wet bodembescherming: de redenen daarvoor.
B. De te nemen maatregelen
  • 1° een beschrijving van maatregelen die milieuhygiënisch ongewenste effecten als gevolg van de sanering voorkomen of zoveel mogelijk beperken;
  • 2° een beschrijving van de wijze waarop de milieukundige begeleiding plaatsvindt, waartoe in elk geval behoort: het bijhouden van een logboek.

Artikel 3.3 Meldingsplichten

  • 1. Degene die de sanering feitelijk uitvoert op grond van een saneringsplan waarmee gedeputeerde staten op basis van artikel 39, tweede lid, van de Wet bodembescherming hebben ingestemd, meldt uiterlijk twee weken voor de feitelijke aanvang van de grondsanering, respectievelijk de grondwatersanering schriftelijk bij gedeputeerde staten de aanvangsdatum van de grondsanering, respectievelijk de grondwatersanering, alsmede een specificatie van de bij de uitvoering betrokken bedrijven en instanties.
  • 2. Indien de grondsanering respectievelijk de grondwatersanering niet zal worden gestart op de overeenkomstig het eerste lid gemelde aanvangsdatum of de overeenkomstig dit lid aangepaste aanvangsdatum, meldt de in het eerste lid bedoelde persoon dit onverwijld schriftelijk aan gedeputeerde staten, onder opgave van de nieuwe aanvangsdatum. Indien de nieuwe aanvangsdatum op dat moment nog niet bekend is, meldt de in het eerste lid bedoelde persoon de nieuwe aanvangsdatum minimaal twee weken voor deze datum schriftelijk aan gedeputeerde staten.
  • 3. Indien bij de sanering ontgraving van verontreinigde grond plaatsvindt, stelt de in het eerste lid bedoelde persoon uiterlijk twee dagen voorafgaand aan het tijdstip waarop over het gehele gebied van de ontgraving de einddiepte bereikt zal worden en tot aanvulling van de ontgraving zal worden overgegaan gedeputeerde staten van dat tijdstip op de hoogte. Bij ontgraving en aanvulling in gedeeltes, geldt voornoemde verplichting tot melding per gedeelte.
  • 4. De in het eerste lid bedoelde persoon meldt de beëindiging van de grondsanering, respectievelijk de grondwatersanering binnen een week na beëindiging van de grondsanering, respectievelijk de grondwatersanering schriftelijk aan gedeputeerde staten.
  • 5. Indien sprake is van een grondsanering, respectievelijk grondwatersanering waarbij door gedeputeerde staten is ingestemd met een gefaseerde aanpak overeenkomstig artikel 38, derde lid, van de Wet bodembescherming, wordt de beëindiging van iedere afzonderlijke fase op de in het vierde lid beschreven wijze gemeld.
  • 6. Indien de in het eerste lid bedoelde persoon niet degene is die het saneringsplan heeft ingediend, geldt een in het eerste, tweede, vierde en vijfde lid van dit artikel bedoelde verplichting tot melding niet indien degene die het saneringsplan heeft ingediend, die melding overeenkomstig het in het betreffende lid bepaalde heeft gedaan.

Artikel 3.4 Wijziging saneringsplan

Bij een melding inzake wijziging van het saneringsplan als bedoeld in artikel 39, vierde lid van de Wet bodembescherming dienen de volgende gegevens te worden verstrekt:

  • a. alle gegevens die afwijken van het saneringsplan, waarmee gedeputeerde staten op grond van artikel 39, tweede lid van de Wet bodembescherming hebben ingestemd;
  • b. de inhoud van de wijziging;
  • c. de reden van de wijziging;
  • d. de gevolgen van de wijziging voor de oorspronkelijk beoogde saneringsdoelstelling en de ter uitvoering daarvan te treffen saneringsmaatregelen.

Artikel 3.5 Evaluatieverslag

  • 1. Degene die de bodem heeft gesaneerd dan wel een fase van de sanering heeft uitgevoerd als bedoeld in artikel 38, derde lid van de Wet bodembescherming biedt uiterlijk dertien weken na beëindiging van de saneringswerkzaamheden het evaluatieverslag aan gedeputeerde staten aan.
  • 2. Onverminderd het bepaalde in artikel 39c, eerste lid van de Wet bodembescherming worden in het evaluatieverslag de volgende gegevens vermeld:
    • a. een korte omschrijving van de kwaliteit van de bodem voor het uitvoeren van de sanering, waaronder mede begrepen een beschrijving van de aard en omvang van de verontreiniging;
    • b. gegevens over het verloop van de sanering, waaronder in elk geval: de relevante data van de uitvoering;
    • c. een beschrijving van de uitvoering van de sanering, voor zover deze wijzigingen betreft van onderdelen van het saneringsplan waarmee is ingestemd alsmede de reden voor deze wijzigingen, die zijn gemeld ingevolge artikel 39, vierde lid, van de Wet bodembescherming;
    • d. een beschrijving van de uitvoering van de sanering naar aanleiding van aanwijzingen ingevolge artikel 38, vierde lid, en 39, vijfde lid, van de Wet bodembescherming die een wijziging inhouden van onderdelen van het saneringsplan waarmee is ingestemd;
    • e. een beschrijving van de getroffen saneringsmaatregelen, waaronder afmetingen van ontgravingen, de analyseresultaten van de controlegrondmonsters, depotmonsters, in- en effluentmonsters en monsters uit waarnemingsfilters;
    • f. indien na de sanering nog verontreiniging in de bodem aanwezig is gebleven, een beschrijving van deze verontreiniging, als bedoeld in artikel 39c, eerste lid, onder b, van de Wet bodembescherming met hierbij een verwijzing naar het nazorgplan, bedoeld in artikel 39d, eerste lid van de Wet bodembescherming dat op deze verontreiniging ziet en dat tegelijkertijd met het evaluatieverslag wordt ingediend bij gedeputeerde staten.

Artikel 3.6 Nazorgplan

Onverminderd het bepaalde in artikel 39d, eerste en tweede lid van de Wet bodembescherming worden in het nazorgplan de volgende gegevens vermeld:

A. Algemene gegevens
  • 1° het huidige en toekomstige gebruik van het grondgebied waarop de verontreiniging zich bevindt, alsmede de bestemming die op dit grondgebied rust volgens het vigerende bestemmingsplan;
  • 2° indien een ander dan degene die de bodem heeft gesaneerd in het nazorgplan wordt aangewezen als degene die is belast met de uitvoering van de nazorgmaatregelen: de door betrokken partijen ondertekende contractuele afspraken die gelden en waaruit blijkt dat diegene zich tot de uitvoering hiervan verbindt.
B. Rapportage en evaluatie

de tijdstippen waarop over de resultaten van de nazorg aan het bevoegd gezag verslag wordt gedaan.

C. Financiële aspecten

een begroting van de kosten van de nazorgmaatregelen, inclusief de eventueel noodzakelijke vervangingen van de voorzieningen.

Artikel 3.7 Instellen projectgroep

  • 1. Indien gedeputeerde staten opdracht geven om een nader onderzoek, een saneringsonderzoek of een sanering uit te voeren, stellen zij ter begeleiding van dat onderzoek respectievelijk die sanering een projectgroep in, tenzij redelijkerwijs kan worden aangenomen dat daaraan geen behoefte bestaat.
  • 2. Het bepaalde in het eerste lid voorziet in de betrokkenheid als bedoeld in artikel 52 van de Wet bodembescherming, waarbij wordt afgeweken van de toepassing van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht.

Artikel 3.8 Taak en samenstelling projectgroep

  • 1. Een projectgroep heeft tot taak gedeputeerde staten haar zienswijze te geven over de uitvoering van het in artikel 3.7 bedoelde onderzoek, respectievelijk de in dat artikel bedoelde sanering.
  • 2. Een projectgroep bestaat ten minste uit:
    • a. een vertegenwoordiger van gedeputeerde staten;
    • b. een vertegenwoordiger van burgemeester en wethouders van de gemeente waarbinnen het geval van verontreiniging is gelegen;
    • c. voorzover mogelijk een vertegenwoordiger van de ingezetenen van de betrokken gemeente en van andere belanghebbenden bij de uitvoering van het nader onderzoek, het saneringsonderzoek of de sanering van dat geval.

Titel 3.2 Waterbodemsanering

Artikel 3.9 Inhoud plan waterbodemsanering

Het saneringsplan bedoeld in artikel 63e van de Wet bodembescherming bevat de gegevens, bedoeld in artikel 3.2 alsmede de volgende gegevens:

  • a. bij A. Algemene gegevens:
    • 9 de naam en de functie van het oppervlaktewater;
    • 10 de wijze waarop het college van dijkgraaf en heemraden bij de uitvoering van de sanering wordt betrokken;
  • b. bij C. De te nemen maatregelen:
    • 3 de hoeveelheid te verwijderen baggerspecie, onderverdeeld in de hoeveelheid onderhoudsbaggerspecie en de hoeveelheid saneringsbaggerspecie.

Artikel 3.10 Meldingsplicht

Op de uitvoering van een sanering op grond van een saneringsplan waarmee gedeputeerde staten op basis van artikel 63e van de Wet bodembescherming hebben ingestemd, is artikel 3.3, met uitzondering van het derde lid, van overeenkomstige toepassing.

Artikel 3.11 Informatie aan gedeputeerde staten

Het college van dijkgraaf en heemraden verschaft gedeputeerde staten de informatie omtrent de resultaten van door hem uitgevoerde saneringen en de besteding van de daarvoor aan hem toegekende gelden, overeenkomstig de voorschriften die gedeputeerde staten stellen bij het verlenen van een bijdrage.

Artikel 3.12 Aanvraag ontheffing

In de aanvraag om een ontheffing als bedoeld in artikel 63i, eerste lid onder c van de Wet bodembescherming worden vermeld:

  • a. de risico's ten aanzien van de verspreiding van de achterblijvende ernstige verontreinigingen, alsmede de wijze waarop deze risico's worden geminimaliseerd;
  • b. de bestemming van de vrijkomende baggerspecie en de eventuele fracties daarvan.

Hoofdstuk 4. Bijzondere gebieden

Titel 4.1 Aanwijzing milieubeschermingsgebieden algemeen

Artikel 4.1 Aanwijzing

  • 1. Milieubeschermingsgebieden zijn de gebieden die als zodanig zijn aangegeven op de bij deze verordening behorende kaarten 4.1 tot en met 4.10.
  • 2. Het begin en het eind van een milieubeschermingsgebied voor grondwater wordt aangeduid door middel van borden, waarvan een model in bijlage I bij deze verordening is opgenomen. De borden worden geplaatst langs alle openbare wegen en vaarwegen die het milieubeschermingsgebied doorkruisen of die daaraan grenzen en wel aan de buitengrens van het milieubeschermingsgebied. De borden worden voorzien van een onderbord waarop is aangegeven waar bedreigingen ten aanzien van de grondwaterkwaliteit dienen te worden gemeld.
  • 3. Het bepaalde in het tweede lid geldt niet voor de op de kaart 4.1 aangewezen boringsvrije zone Zuidelijk Flevoland, het zuidelijk gelegen waterwingebied op kaart 4.3 en het waterwingebied op kaart 4.5.
  • 4. Het begin en het eind van een milieubeschermingsgebied voor stilte wordt aangeduid door middel van borden, waarvan een model in bijlage II bij deze verordening is opgenomen. De borden worden geplaatst langs alle openbare wegen en vaarwegen die het milieubeschermingsgebied doorkruisen of die daaraan grenzen en wel aan de buitengrens van het milieubeschermingsgebied. De borden worden voorzien van een onderbord waarop is aangegeven waar bedreigingen ten aanzien van de stilte dienen te worden gemeld.

Titel 4.2 Zorgplicht en meldplicht

Artikel 4.2 Zorgplicht

  • 1. Ieder die in een milieubeschermingsgebied handelingen verricht en weet of redelijkerwijs had kunnen vermoeden dat door die handelingen in dat gebied het bijzondere belang met het oog waarop het gebied als milieubeschermingsgebied is aangewezen, wordt of kan worden geschaad, is verplicht dergelijk handelen achterwege te laten - behoudens voor zover dat ingevolge deze verordening uitdrukkelijk is toegestaan - danwel, indien dat achterwege laten niet kan worden gevergd, alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd teneinde die schade te voorkomen, dan wel indien die schade zich voordoet, deze zoveel mogelijk te beperken en de gevolgen daarvan zoveel mogelijk te beperken en ongedaan te maken.
  • 2. Het eerste lid is niet van toepassing:
    • a. op handelingen verricht in inrichtingen, waarvoor het in artikel 8.1, eerste lid van de Wet milieubeheer gestelde verbod geldt;
    • b. op de agrarische bedrijfsvoering in gebieden als bedoeld in artikel 1.2, vijfde lid, laatste volzin, van de Wet milieubeheer;
    • c. voorzover artikel 2 van de Wet milieugevaarlijke stoffen, artikel 13 van de Wet bodembescherming of artikel 10.1 van de Wet milieubeheer van toepassing is.

Artikel 4.3 Meldplicht

Ieder die kennis draagt van een voorval binnen een milieubeschermingsgebied, waarbij aannemelijk is dat het bijzondere belang met het oog waarop het gebied als milieubeschermingsgebied is aangewezen, wordt of kan worden geschaad, is verplicht dat terstond te melden aan gedeputeerde staten.

Titel 4.3 Milieubeschermingsgebieden voor grondwater

Artikel 4.4 Grondwaterbeschermingszones

Een gebied ter bescherming van het grondwater kan bestaan uit de volgende zones:

  • a. waterwingebied;
  • b. beschermingsgebied;
  • c. boringsvrije zone.

§ 4.3.1 Inrichtingen

Artikel 4.5 Waterwingebied: verbod tot oprichten inrichting

  • 1. Het is verboden in waterwingebieden een inrichting als bedoeld in de bijlagen I en II, behorende bij het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer, op te richten.
  • 2. Het verbod in het eerste lid geldt niet met betrekking tot inrichtingen ten behoeve van de grondwateronttrekking, met het oog waarop het betreffende gebied wordt beschermd, voor zover een in het eerste lid bedoelde oprichting redelijkerwijs noodzakelijk is voor de normale werking van de inrichting, gericht op de openbare drinkwaterproductie.

Artikel 4.6 Beschermingsgebied: verbod tot oprichten en in werking hebben inrichting

Het is verboden in beschermingsgebieden:

  • a. een inrichting op te richten, indien die inrichting behoort tot een categorie van inrichtingen die is aangewezen in de in bijlage III van deze verordening opgenomen lijst;
  • b. een inrichting op te richten of in werking te hebben als bedoeld in de bijlagen I en II behorende bij het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer, waarbinnen of waarin de opslag van zeer licht ontvlambare, licht ontvlambare, ontvlambare of brandbare vloeistoffen ondergronds plaatsvindt;
  • c. een inrichting op te richten of in werking te hebben als bedoeld in de bijlagen I en II behorende bij het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer, waarbinnen energie-uitwisseling ondergronds plaatsvindt.

Artikel 4.7 Beschermingsgebied en boringsvrije zone: verbod bodemverstoring binnen AMvB-inrichting

  • 1. Het is verboden in beschermingsgebieden en boringvrije zones een inrichting waarvoor het in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer gestelde verbod niet geldt op te richten of in werking te hebben waarbinnen de bodem wordt geroerd, doorboord of anderszins doordrongen door:
    • a. werken te maken of te behouden;
    • b. handelingen te verrichten.
  • 2. De in het eerste lid gestelde verboden gelden niet voor:
    • a. het verrichten van werkzaamheden ten behoeve van grondwateronttrekkingen, waaronder inbegrepen het oprichten, in exploitatie nemen of hebben van boorputten voor de grondwatermonitoring, met het oog op de openbare drinkwaterproductie;
    • b. het oprichten, in exploitatie nemen of hebben van boorputten ten behoeve van het provinciale grondwaterbeheer;
    • c. het onderzoeken en saneren van de bodem dan wel het verrichten van handelingen tengevolge waarvan een verontreiniging van de bodem wordt verminderd of verplaatst, indien voor dat saneren of die handelingen gedeputeerde staten in het kader van de Wet bodembescherming opdracht of toestemming hebben gegeven;
    • d. het verrichten van werkzaamheden ter uitvoering van een door gedeputeerde staten verleende vergunning als bedoeld in artikel 3 van de Ontgrondingenwet;
    • e. het slaan of hebben van heipalen, mits geen palen voor de uitwisseling van energie worden gebruikt;
    • f. overige werken of handelingen tot en met de op kaart 4.1 aangegeven diepte alsmede binnen de waterwin- en beschermingsgebieden tot een diepte van 2 meter beneden maaiveld, met uitzondering van werken en handelingen als bedoeld in artikel 4.8.
  • 3. Het eerste lid vindt geen toepassing indien het werk of de handeling valt onder de in artikel 4.6 gestelde verboden.

Artikel 4.8 Beschermingsgebied en boringsvrije zone: algemene regels voor boorputten

  • 1. De in artikel 4.7 eerste lid gestelde verboden gelden niet voor het maken of behouden van werken of het verrichten van handelingen ten behoeve van een boorput ondieper dan de in kaart 4.1 aangegeven diepte die geschikt is voor het onttrekken van grondwater of de uitwisseling van energie indien degene die een boorput opricht of wijzigt ten minste twee weken voor de werkzaamheden de exacte datum en begintijd waarop de boorput wordt opgericht of gewijzigd schriftelijk meldt aan gedeputeerde staten.
  • 2. Bij een melding als bedoeld in het eerste lid voor een boorput, niet geschikt voor het onttrekken van grondwater maar wel voor de uitwisseling van energie, worden aanvullend de navolgende gegevens verstrekt:
    • a. de kadastrale aanduiding van de plaats van de boorput;
    • b. een beschrijving van het systeem waar de boorput deel vanuit maakt;
    • c. een beschrijving van de constructie van de boorput inclusief de materiaalkeuze en de te gebruiken vloeistoffen;
    • d. de wijze waarop de boorput wordt opgericht of gewijzigd;
    • e. de diepte van de boorput ten opzichte van maaiveld.

Artikel 4.9 Beschermingsgebied en boringsvrije zone: ontheffing bodemverstoringen binnen AMvB-inrichting

Gedeputeerde staten kunnen ontheffing verlenen van de in artikel 4.7 eerste lid gestelde verboden indien het belang waartoe het milieubeschermingsgebied voor grondwater is aangewezen zich daartegen niet verzet.

§ 4.3.2 Buiten inrichtingen

Artikel 4.10 Waterwingebied en beschermingsgebied: verboden handelingen

  • 1. Het is verboden in waterwingebieden en beschermingsgebieden buiten inrichtingen:
    • a. werken, daaronder begrepen leidingen en installaties, te maken of te houden met het kennelijke doel het vervoeren, bergen, opslaan, overslaan, storten of verzinken van schadelijke stoffen door of in de bodem mogelijk te maken;
    • b. wegen, parkeergelegenheden, terreinen voor zover deze - al dan niet tijdelijk - voor gemotoriseerd verkeer openstaan, waterwegen of spoorwegen aan te leggen, te hebben of te reconstrueren;
    • c. kampeergelegenheden, recreatiecentra of kampementen aan te leggen, te hebben, in exploitatie te nemen of te exploiteren;
    • d. een lozing op of in de bodem uit te voeren;
    • e. de bodem onder oppervlaktewater te roeren, te doorboren of anderszins te doordringen;
    • f. bestrijdingsmiddelen, gewasbeschermingsmiddelen of biociden te gebruiken, tenzij uit de toelatingsbeschikking blijkt dat het middel in een met het oog op de bescherming van het grondwater aangewezen gebied mag worden toegepast;
    • g. ondergrondse energie uit te wisselen.
  • 2. Waar in het eerste lid sprake is van oprichten, maken of aanleggen, wordt daaronder mede verstaan wijzigen of uitbreiden.

Artikel 4.11 Waterwingebied en beschermingsgebied: uitgezonderde handelingen

  • 1. Het in artikel 4.10, eerste lid, onder a gestelde verbod geldt niet voor werken die voorzien in:
    • a. het vervoer van schadelijke stoffen ten behoeve van niet bedrijfsmatig gebruik;
    • b. het doelmatig verwijderen van binnen het gebied vrijkomende schadelijke stoffen.
  • 2. Het in artikel 4.10, eerste lid, onder d gestelde verbod geldt niet voor lozingen als bedoeld in artikel 2 van het Lozingenbesluit bodembescherming.
  • 3. Het in artikel 4.10, eerste lid, onder e gestelde verbod geldt niet voor onderhoudsbaggerwerkzaamheden.

Artikel 4.12 Waterwin-, beschermingsgebied en boringsvrije zone: verbod bodemverstoring

  • 1. Het is verboden in waterwingebieden, beschermingsgebieden en boringsvrije zones buiten inrichtingen de bodem te roeren, te doorboren of anderszins te doordringen door:
    • a. werken te maken of te behouden;
    • b. handelingen te verrichten.
  • 2. De in het eerste lid gestelde verboden gelden niet voor:
    • a. het verrichten van werkzaamheden ten behoeve van grondwateronttrekkingen, waaronder inbegrepen het oprichten, in exploitatie nemen of hebben van boorputten voor de grondwatermonitoring, met het oog op de openbare drinkwaterproductie;
    • b. het oprichten, in exploitatie nemen of hebben van boorputten ten behoeve van het provinciale grondwaterbeheer;
    • c. het onderzoeken en saneren van de bodem dan wel het verrichten van handelingen tengevolge waarvan een verontreiniging van de bodem wordt verminderd of verplaatst, indien voor dat saneren of die handelingen gedeputeerde staten in het kader van de Wet bodembescherming opdracht of toestemming hebben gegeven;
    • d. het verrichten van werkzaamheden in beschermingsgebieden ter uitvoering van een door gedeputeerde staten verleende vergunning als bedoeld in artikel 3 van de Ontgrondingenwet.
    • e. het slaan of hebben van heipalen, mits geen palen voor de uitwisseling van energie worden gebruikt;
    • f. overige werken of handelingen tot en met de op kaart 4.1 aangegeven diepte alsmede binnen de waterwin- en beschermingsgebieden tot een diepte van 2 meter beneden maaiveld, met uitzondering van werken en handelingen zoals bedoeld in artikel 4.13.
  • 3. Het eerste lid vindt geen toepassing indien het werk of de handeling valt onder de in artikel 4.10 gestelde verboden.

Artikel 4.13 Waterwin-, beschermingsgebied en boringsvrije zone: algemene regels voor boorputten

  • 1. De in artikel 4.12 eerste lid gestelde verboden gelden niet voor het maken of behouden van werken of het verrichten van handelingen ten behoeve van een boorput ondieper dan de op kaart 4.1 aangegeven diepte die geschikt is voor het onttrekken van grondwater of de uitwisseling van energie indien degene die een boorput opricht of wijzigt ten minste twee weken voor de werkzaamheden de exacte datum en begintijd waarop de boorput wordt opgericht of gewijzigd schriftelijk meldt aan gedeputeerde staten.
  • 2. Bij een melding als bedoeld in het eerste lid voor een boorput, niet geschikt voor het onttrekken van grondwater maar wel voor de uitwisseling van energie, worden aanvullend de navolgende gegevens verstrekt:
    • a. de kadastrale aanduiding van de plaats van de boorput;
    • b. een beschrijving van het systeem waar de boorput deel vanuit maakt;
    • c. een beschrijving van de constructie van de boorput inclusief de materiaalkeuze en de te gebruiken vloeistoffen;
    • d. de wijze waarop de boorput wordt opgericht of gewijzigd;
    • e. de diepte van de boorput ten opzichte van maaiveld.

Artikel 4.14 Waterwin-, beschermingsgebied en boringsvrije zone: ontheffing handelingen

Gedeputeerde staten kunnen ontheffing verlenen van de in artikel 4.10, eerste lid onder a, b, c, d en e en de in artikel 4.12 gestelde verboden indien het belang waartoe het milieubeschermingsgebied voor grondwater is aangewezen zich daartegen niet verzet.

Titel 4.4 Milieubeschermingsgebieden voor stilte

Artikel 4.15 Richtwaarde

  • 1. Als richtwaarde voor de maximale geluidsbelasting vanwege een geluidsbron binnen het milieubeschermingsgebied geldt een geluidsniveau van 35 dB(A) gemiddeld per uur op 50 meter van de geluidsbron.
  • 2. Als richtwaarde voor de maximale geluidsbelasting vanwege een geluidsbron buiten het milieubeschermingsgebied geldt een geluidsniveau van 35 dB(A) gemiddeld per uur op 50 meter in het milieubeschermingsgebied gerekend vanaf de grens van het milieubeschermingsgebied.

Artikel 4.16 Doorwerking richtwaarden

  • 1. Bij het uitoefenen van de navolgende bevoegdheden moet rekening worden gehouden met de in artikel 4.15 bedoelde richtwaarde:
    • a. de bevoegdheid als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer voorzover burgemeester en wethouders dan wel gedeputeerde staten bevoegd gezag zijn;
    • b. de bevoegdheden als bedoeld in de artikelen 2.1, 2.2, 3.1, 3.6, 3.10, 3.26 en 3.27 van de Wet ruimtelijke ordening alsmede de bevoegdheden als bedoeld in de artikelen 4a, 7 , 10, 11 en 19 van de Wet op de ruimtelijke ordening voor zover deze artikelen op grond van het in de Invoeringswet ruimtelijke ordening opgenomen overgangsrecht van toepassing zijn;
    • c. de bevoegdheden als bedoeld in de Algemene Plaatselijke Verordeningen van de gemeenten als bedoeld in artikel 147 van de Gemeentewet;
    • d. de bevoegdheden tot het treffen van verkeersmaatregelen op basis van de Wegenverkeerswet 1994.
    • e. Het bepaalde in het eerste lid is van toepassing voor zover de uitoefening van de in het eerste lid aangewezen bevoegdheid gevolgen heeft voor het belang, waarvoor de richtwaarde in artikel 4.15 is gesteld.

Artikel 4.17 Uitzondering

Het bepaalde in het eerste lid van artikel 4.16 is niet van toepassing indien de genoemde bevoegdheden betrekking hebben op een toestel dat wordt gebruikt voor de uitoefening van land-, tuin- of bosbouw of beroepsmatige visserij of ten behoeve van het onderhoud van het gebied of van daarin aanwezige bouwwerken en andere constructies.

Artikel 4.18 Verbodsbepalingen

  • 1. Het is binnen milieubeschermingsgebieden voor stilte verboden buiten inrichtingen een toestel te gebruiken waardoor de ervaring van de natuurlijke geluiden kan worden verstoord.
  • 2. Tot een toestel als bedoeld in de voorgaande volzin behoren in ieder geval:
    • a. airgun- en andere knalapparatuur en motorisch aangedreven werktuigen met bijbehorende transportmiddelen, te bezigen in het kader van seismologisch onderzoek en opsporingsonderzoek naar de ontginning van de in de bodem aanwezige stoffen;
    • b. een motorisch aangedreven werktuig, te bezigen in het kader van de aanleg van kabels en buisleidingen in of op de bodem;
    • c. een omroepinstallatie, sirene, hoorn en een ander daarmee vergelijkbaar toestel bestemd om geluid te versterken of voort te brengen;
    • d. een modelvliegtuig, modelboot of modelauto, indien deze wordt aangedreven door een verbrandingsmotor;
    • e. een muziekinstrument en een andere daarmee vergelijkbaar geluidsapparaat, al dan niet gekoppeld aan een geluidsversterker;
    • f. een jetski die wordt aangedreven door een verbrandingsmotor;
    • g. een vuurwapen.
  • 3. Het is verboden zich met een motorvoertuig of bromfiets te bevinden buiten de openbare weg of buiten andere voor bestemmingsverkeer openstaande wegen of terreinen.
  • 4. Het is verboden een toertocht voor motorvoertuigen of bromfietsen te houden of aan een zodanige toertocht deel te nemen waarvoor geen ontheffing is verleend.
  • 5. Het is verboden met een recreatievaartuig door middel van een motor sneller te varen dan 6 km per uur.

Artikel 4.19 Vrijstellingen

De verboden van artikel 4.18, eerste en tweede lid gelden niet voor zover zij betrekking hebben op

  • a. een toestel dat wordt gebruikt voor de uitoefening van land-, tuin- of bosbouw of beroepsmatige visserij of ten behoeve van het onderhoud van het gebied of van daarin aanwezige bouwwerken en andere constructies;
  • b. een werktuig als bedoeld in artikel 4.18, tweede lid, onder b, dat wordt gebruikt ten behoeve van directe woonaansluitingen;
  • c. het gebruik van een toestel als bedoeld in artikel 4.18, tweede lid, onder c, indien dat noodzakelijk is ter afwending van dreigend gevaar of anderszins uit een oogpunt van algemene veiligheid;
  • d. een geluidsapparaat als bedoeld in artikel 4.18, tweede lid, onder e, dat wordt gebruikt binnen 50 meter van een woonhuis en mits niet hoorbaar op een afstand van meer dan 50 meter van het apparaat;
  • e. een vuurwapen als bedoeld in artikel 4.18, tweede lid, onder g, indien dat wordt gebruikt
    • 1 door een persoon met opsporingsbevoegdheid in de uitoefening van zijn functie;
    • 2 in geval het een noodseinmiddel betreft: in geval van nood;
    • 3 met inachtneming van het bepaalde in de Jachtwet of de Vogelwet.

Artikel 4.20 Ontheffing

Gedeputeerde staten kunnen ontheffing verlenen van de in artikel 4.18 gestelde verboden indien het belang waartoe het milieubeschermingsgebied voor stilte is aangewezen zich daartegen niet verzet.

Titel 4.5 Andere gebieden

Artikel 4.21 Industrieterrein van regionaal belang

Als industrieterrein van regionaal belang, als bedoeld in artikel 110a, zevende lid van de Wet geluidhinder, wordt aangewezen het bedrijventerrein Luchthaven Lelystad en omgeving, zoals aangegeven op de bij deze verordening behorende kaart 4.11.

Hoofdstuk 5. Waterhuishouding

Titel 5.1 Waterhuishoudingsplan

Artikel 5.1 Openbare voorbereiding

Op de voorbereiding van het waterhuishoudingsplan is de Inspraakverordening Flevoland 2006 van toepassing.

Artikel 5.2 Overleg

Onverminderd artikel 8 van de Wet op de waterhuishouding en het bepaalde in de Inspraakverordening Flevoland 2006 voeren gedeputeerde staten ter voorbereiding van het waterhuishoudingsplan ten minste overleg met het college van dijkgraaf en heemraden, de hoofd-ingenieur directeur van Rijkswaterstaat IJsselmeergebied, de betrokken colleges van burgemeester en wethouders, de minister van Verkeer en Waterstaat en gedeputeerde staten van de aangrenzende provincies.

Artikel 5.3 Uitwerking waterhuishoudingsplan

  • 1. Voor zover het waterhuishoudingsplan hierin voorziet, zijn gedeputeerde staten bevoegd het waterhuishoudingsplan uit te werken.
  • 2. Een besluit van gedeputeerde staten, inhoudende een uitwerking van het waterhuishoudingsplan, maakt deel uit van het plan.
  • 3. Artikel 5.2 is van overeenkomstige toepassing op de uitwerking van het waterhuishoudingsplan.
  • 4. Zo spoedig mogelijk na vaststelling van de uitwerking brengen gedeputeerde staten de in artikel 5.2 genoemde bestuursorganen en provinciale staten op de hoogte van de vaststelling van de uitwerking.

Titel 5.2 Waterbeheersplan Waterschap Zuiderzeeland

Artikel 5.4 Inhoud waterbeheersplan

  • 1. Het beheersplan omvat onverminderd artikel 9 van de Wet op de waterhuishouding tenminste:
    • a. een beschrijving van de bestaande toestand van het watersysteem of stelsels van watersystemen en van de waterkeringen waarover het beheer zich uitstrekt;
    • b. een vastlegging van de functies van de watersystemen of bijzondere gebruiksdoeleinden voorzover dit geschiedt ter nadere uitwerking van het provinciale waterhuishoudingsplan;
    • c. het beleid inzake het beheer van de watersystemen en de waterkeringen gericht op de aan de watersystemen en de waterkeringen toegekende functies en doelstellingen;
    • d. een of meer toelichtende kaarten waarop de bestaande en geplande waterstaatswerken zijn aangegeven en waarop een overzicht wordt gegeven van de bestaande en nagestreefde toestand van het watersysteem en de waterkeringen;
    • e. het gewenste grondwater- en oppervlaktewaterregime op hoofdlijnen;
    • f. een beschrijving van het beheer zoals dat onder normale omstandigheden zal worden uitgevoerd;
    • g. een omschrijving van de maatregelen die door de waterbeheerder en/of door derden moeten worden genomen om de in het waterhuishoudingsplan en in het beheersplan genoemde doelstellingen te bereiken, alsmede de fasering en prioriteitenstelling bij deze maatregelen;
    • h. een raming van de kosten van de maatregelen, voorzover deze gedurende de planperiode tot stand worden gebracht, een overzicht van de wijze waarop deze worden gedekt, alsmede een indicatie van de kosten van door derden te nemen maatregelen als gevolg van het plan;
    • i. een raming van het verloop van de op te leggen heffingen en omslagen.
  • 2. Het beheersplan gaat vergezeld van een toelichting waarin tenminste zijn opgenomen:
    • a. de aan het plan ten grondslag liggende afwegingen en uitkomsten van verrichte onderzoeken;
    • b. een overzicht van de strategische doelstellingen in het waterhuishoudingsplan ter uitvoering waarvan de maatregelen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel g, strekken.

Artikel 5.5 Overleg

Het college van dijkgraaf en heemraden voert bij de opstelling van het beheersplan ten minste overleg met de dagelijks besturen van de aangrenzende waterschappen, de hoofd-ingenieur directeur Rijkswaterstaat IJsselmeergebied, gedeputeerde staten en de colleges van burgemeester en wethouders in Flevoland.

Artikel 5.6 Openbare voorbereiding

  • 1. Op de voorbereiding van het beheersplan is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. De stukken worden ter inzage gelegd in tenminste het kantoor van Waterschap Zuiderzeeland en in de gemeentehuizen van de gemeenten die zijn gelegen binnen het gebied waarop het beheersplan betrekking heeft.
  • 2. Een ieder heeft de gelegenheid zijn zienswijze over het beheersplan naar keuze schriftelijk of mondeling naar voren te brengen.
  • 3. Het college van dijkgraaf en heemraden kan besluiten dat de in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht geregelde procedure niet wordt toegepast bij het actualiseren van het maatregelenprogramma als bedoeld in artikel 5.4, eerste lid, onder g indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat aan de toepassing van die procedure geen behoefte bestaat.

Artikel 5.7 Goedkeuring

Bij de toezending van het beheersplan ter verkrijging van de vereiste goedkeuring van gedeputeerde staten voegt het college van dijkgraaf en heemraden de verslagen bij van het bij de voorbereiding van het besluit gevoerde overleg, de ingediende zienswijzen en de beschouwingen van de algemene vergadering daarover.

Artikel 5.8 Uitwerking waterbeheersplan

  • 1. In het beheersplan kan worden bepaald dat het college van dijkgraaf en heemraden het beheersplan of onderdelen daarvan moet of kan uitwerken volgens in het plan gegeven regels.
  • 2. Voorts kan in het plan worden aangegeven of en in hoeverre het college van dijkgraaf en heemraden van het beheersplan mag afwijken.
  • 3. Alvorens het college van dijkgraaf en heemraden een besluit vaststelt met betrekking tot het bepaalde in het eerste en tweede lid, worden de in artikel 5.5 bedoelde bestuursorganen in de gelegenheid gesteld hun zienswijzen daarover kenbaar te maken.

Artikel 5.9 Toezending aan gedeputeerde staten

  • 1. Een besluit als bedoeld in artikel 5.6, derde lid wordt binnen vier weken na vaststelling aan gedeputeerde staten toegezonden.
  • 2. Een besluit ter uitvoering van de in 5.8, eerste en tweede lid genoemde bevoegdheden, wordt binnen vier weken na vaststelling aan gedeputeerde staten toegezonden.

Artikel 5.10 Afstemming met provinciale waterbeleid

De algemene vergadering stelt binnen 18 maanden na vaststelling van een waterhuishoudingsplan een beheersplan dan wel een wijziging van een beheersplan vast.

Artikel 5.11 Algemene Voortgangsrapportage

  • 1. Het college van dijkgraaf en heemraden rapporteert tenminste een maal per jaar aan gedeputeerde staten over de voortgang van de uitvoering van het geldende beheersplan, de mate waarin de gestelde doelen worden bereikt, de redenen van eventuele afwijkingen en de voorgestelde maatregelen.
  • 2. Gedeputeerde staten kunnen met betrekking tot de inhoud van de rapportage, gehoord het college van dijkgraaf en heemraden, nadere voorschriften geven omtrent de inhoud van de rapportage.

Titel 5.3 Peilbesluiten

Artikel 5.12 Aanwijzing verplichte peilbesluiten

  • 1. De algemene vergadering stelt voor de oppervlaktewateren onder zijn beheer een of meer peilbesluiten vast, waarin de waterstanden worden aangegeven die het waterschap gedurende daarbij bepaalde perioden zoveel mogelijk handhaaft.
  • 2. Gedeputeerde staten verlenen op verzoek van het college van dijkgraaf en heemraden van het bepaalde in het eerste lid ontheffing ten aanzien van gebiedsdelen waar een regeling van de waterstand redelijkerwijs niet mogelijk is.

Artikel 5.13 Inhoud van het peilbesluit

  • 1. Het peilbesluit bevat tenminste:
    • a. een kaart met de begrenzing van de gebieden waarbinnen oppervlaktewateren gelegen zijn waarop het peilbesluit betrekking heeft, en
    • b. de te handhaven waterstanden, aangegeven in hoogte ten opzichte van NAP, met daarbij aangegeven de perioden en de peilvakken waarvoor de waterstanden gelden.
  • 2. Het peilbesluit gaat vergezeld van een toelichting waarin tenminste zijn opgenomen:
    • a. de aan het besluit ten grondslag liggende afwegingen en uitkomsten van de verrichte onderzoeken;
    • b. de verwachte grondwaterstanden waarop de gekozen waterstanden gebaseerd zijn en de afwijking ten opzichte van het optimale grond- en oppervlaktewater regime.

Artikel 5.14 Openbare voorbereiding

Op de voorbereiding van het peilbesluit is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.

Artikel 5.15 Goedkeuring

Bij de toezending van een peilbesluit aan gedeputeerde staten, ter verkrijging van de vereiste goedkeuring, voegt het waterschap de verslagen bij van het bij de voorbereiding van het besluit gevoerde overleg, de ingediende zienswijzen en de beschouwingen van de algemene vergadering daarover.

Artikel 5.16 Herziening

Een peilbesluit wordt tenminste eens in de tien jaren herzien. Op een herziening en een wijziging van een peilbesluit zijn de artikelen 5.13 tot en met 5.15 van overeenkomstige toepassing.

Titel 5.4 Normering wateroverlast

Artikel 5.17 Normen

  • 1. Voor onroerende zaken binnen de bebouwde kom van een gemeente, zoals bedoeld in artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994, met uitzondering van de onroerende zaken in de gebieden die zijn aangegeven op kaart 5.1 geldt een gemiddelde overstromingskans door water vanuit de oppervlaktewaterlichamen van eens in de 100 jaar. De afvoer- en bergingscapaciteit van de oppervlaktewaterlichamen binnen de bebouwde kom van een gemeente moet hierop zijn berekend.
  • 2. Voor onroerende zaken buiten de bebouwde kom van een gemeente, zoals bedoeld in artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994, met uitzondering van onroerende zaken in de gebieden die zijn aangewezen op de kaart 5.1 geldt een gemiddelde overstromingskans door water vanuit de oppervlaktewaterlichamen van minimaal eens in de 50 jaar en gemiddeld eens in de 80 jaar. De afvoer- en bergingscapaciteit van de oppervlaktewaterlichamen buiten de bebouwde kom van een gemeente moet hierop zijn berekend.

Artikel 5.18 Toetsing watersysteem

  • 1. Iedere zes jaar brengt het college van dijkgraaf en heemraden verslag uit aan gedeputeerde staten over de bergings- en afvoercapaciteit van de oppervlaktewaterlichamen als bedoeld in artikel 5.17. Gedeputeerde staten bepalen na overleg met de beheerder voor welk tijdstip het verslag voor de eerste maal wordt uitgebracht.
  • 2. Gedeputeerde staten dragen, na overleg met het college van dijkgraaf en heemraden, zorg voor de totstandkoming en verkrijgbaarstelling van leidraden voor de door het college van dijkgraaf en heemraden te verrichten toetsing van de oppervlaktewaterlichamen.
  • 3. Tenminste één maal in de zes jaar besluiten provinciale staten, na overleg met het college van dijkgraaf en heemraden, of de normering als bedoeld in artikel 5.17 moet worden aangepast.

Artikel 5.19 Inrichting watersysteem

De Algemene Vergadering draagt er zorg voor dat de oppervlaktewaterlichamen uiterlijk in 2015 is ingericht volgens de in artikel 5.17 opgenomen normen.

Hoofdstuk 6. Grondwateronttrekkingen

Titel 6.1 Registratie- en meldingsplicht

Artikel 6.1 Uitzondering registratieplicht

De verplichting, omschreven in artikel 11 eerste lid van de Grondwaterwet, geldt niet:

  • a. voor een inrichting die uitsluitend wordt gebruikt voor veedrenking, agrarische bedrijfshygiëne of gewasbescherming;
  • b. voor een inrichting die uitsluitend wordt gebruikt voor noodvoorzieningen;
  • c. voor een inrichting die uitsluitend wordt gebruikt voor beregenings- of bevloeiingsdoeleinden en waarbij de pompcapaciteit niet meer bedraagt dan 40 m3 per uur;
  • d. voor een inrichting zijnde een combinatie van a, b of c;
  • e. voor een inrichting, niet begrepen onder a, b, c en d en waarbij de te onttrekken hoeveelheid grondwater niet meer bedraagt dan 10.000 m3 per jaar.

Artikel 6.2 Meldingsplicht

  • 1. Degene die voornemens is een inrichting als bedoeld in artikel 6.1 op te richten en in werking te hebben en waarvan de pompcapaciteit 1 m3 per uur of meer is, meldt dit tenminste vier weken voor het daadwerkelijk oprichten en in werking hebben van de inrichting aan gedeputeerde staten. De melding wordt gedaan op een door gedeputeerde staten vastgesteld formulier.
  • 2. Bij een melding als bedoeld in het eerste lid wordt in ieder geval het tijdstip vermeld, waarop de onttrekking daadwerkelijk aanvangt, en worden de navolgende gegevens verstrekt:
    • a. de kadastrale aanduiding van de plaats waar de inrichting is gelegen;
    • b. de pompcapaciteit van de inrichting alsmede een schatting van de te onttrekken hoeveelheid per uur, per maand, per kwartaal en per jaar;
    • c. het doel waarvoor grondwater wordt onttrokken;
    • d. de duur van de onttrekking;
    • e. de diepte van de onderkant van het (de) filter(s) van iedere put ten opzichte van maaiveld;
    • f. de datum en het tijdstip waarop de boring plaatsvindt
    • g. de boorbeschrijving.
  • 3. Gedeputeerde staten kunnen opgave van andere gegevens voorschrijven.
  • 4. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot het uitbreiden, wijzigen of veranderen van de werking van de inrichting en door dit uitbreiden, wijzigen of veranderen een afwijking ontstaat van de verstrekte gegevens.
  • 5. De in het eerste lid omschreven verplichting geldt niet als een vergunning als bedoeld in artikel 14 van de Grondwaterwet vereist is.

Artikel 6.3 Ambtshalve inschrijving in Grondwaterregister

  • 1. Gedeputeerde staten kunnen een inrichting die niet ingevolge artikel 11 van de Grondwaterwet is opgegeven, ambtshalve in het register, genoemd in artikel 13 van de Grondwaterwet, inschrijven.
  • 2. Indien de ambtshalve inschrijving, genoemd in het eerste lid, plaatsvindt in de loop van een kalenderjaar, wordt als datum van de inschrijving aangehouden de datum waarop de onttrekking is aangevangen.

Titel 6.2 Uitzondering vergunningplicht

Artikel 6.4 Uitzondering vergunningplicht

  • 1. Een vergunning tot het onttrekken van grondwater als bedoeld in artikel 14, eerste lid van de Grondwaterwet is niet vereist:
    • a. voor inrichtingen die uitsluitend worden gebruikt voor veedrenking, agrarische bedrijfshygiëne of gewasbescherming en waarbij de te onttrekken hoeveelheid grondwater per inrichting niet meer bedraagt dan ten hoogste 10 m3 per uur;
    • b. voor een inrichting ten behoeve van noodvoorzieningen;
    • c. voor een inrichting, niet begrepen onder a en b, met een pompcapaciteit die niet meer bedraagt dan 10 m3 per uur en waarbij de te onttrekken hoeveelheid grondwater niet meer bedraagt dan 12.000 m3 per kwartaal.
  • 2. De in het eerste lid genoemde uitzondering geldt niet voor een inrichting in een op kaart 4.1 aangegeven zone en de onttrekking plaatsvindt op een grotere diepte beneden maaiveld dan in die zone is toegestaan.

Titel 6.3 Algemene regels

Artikel 6.5 Toepassing

  • 1. Deze titel is van toepassing op:
    • a. inrichtingen die uitsluitend worden gebruikt voor het drooghouden van een bouwput ten behoeve van bouwkundige of civieltechnische werken en inrichtingen die bij wijze van proef of ten behoeve van grondsanering grondwater onttrekken, waarbij:
      • 1. de te onttrekken hoeveelheid grondwater niet meer bedraagt dan 100.000 m3 per maand, en
      • 2. de onttrekking niet langer duurt dan zes maanden;
    • b. inrichtingen die uitsluitend of nagenoeg uitsluitend worden gebruikt voor beregenings- of bevloeiingsdoeleinden en waarbij de pompcapaciteit niet meer bedraagt dan 40 m3 per uur;
    • c. inrichtingen die uitsluitend worden gebruikt voor grondwatersanering en waarbij de te onttrekken hoeveelheid grondwater niet meer bedraagt dan 50.000 m3 per maand.
  • 2. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid is deze titel niet van toepassing op een inrichting in een op kaart 4.1 aangegeven zone en de onttrekking plaatsvindt op een grotere diepte beneden maaiveld dan in die zone is toegestaan.

Artikel 6.6 Algemene regels

  • 1. De houder van de inrichting is verplicht de boorgaten zo spoedig mogelijk na het plaatsen van de putfilters op te vullen. Ter hoogte van slecht doorlatende lagen alsmede tussen één en drie meter beneden het maaiveld wordt een afdichting van bentoniet of een gelijkwaardig materiaal aangebracht.
  • 2. Bij het beëindigen van de onttrekking worden de boorgaten opgevuld met bentoniet of een gelijkwaardig materiaal.
  • 3. Gedeputeerde staten kunnen het onttrekken van grondwater verbieden indien:
    • a. door de onttrekking nadelige effecten voor de bij het grondwaterbeheer betrokken belangen ontstaan of dreigen te ontstaan;
    • b. de houder van de inrichting geen of onvoldoende voorzieningen treft om het onttrokken grondwater in de bodem terug te brengen, een en ander voor zover het treffen van deze voorzieningen redelijkerwijs kan worden gevergd;
    • c. het gebruik van oppervlaktewater redelijkerwijs kan worden gevergd;
    • d. gedurende vier achtereenvolgende jaren geen gebruik van de inrichting is gemaakt.

Titel 6.4 Vergunningen

Artikel 6.7 Toepassing

Deze titel is van toepassing op inrichtingen en het infiltreren van water voor zover niet begrepen onder de artikelen 6.4 en 6.5.

Artikel 6.8 Aanvraag vergunning

  • 1. De aanvraag tot verlening of wijziging van een vergunning als bedoeld in artikel 14, eerste lid, en artikel 16, eerste lid van de Grondwaterwet wordt schriftelijk in enkelvoud bij gedeputeerde staten ingediend en bevat tenminste de volgende gegevens en bescheiden:
    • a. een of meer kaarten op een zodanige schaal, dat een duidelijk beeld wordt verkregen van de bestaande en/of geprojecteerde inrichting c.q. de infiltratie waarop de aanvraag betrekking heeft;
    • b. een kadastrale tekening, niet ouder dan 1 jaar, aanduidende de percelen waarop de bestaande of geprojecteerde inrichting c.q. de infiltratie zich bevindt en van het gebied binnen een afstand van 250 meter daarvan
    • c. een beschrijving van de bestaande of geprojecteerde inrichting c.q. de infiltratie, waarbij, indien van toepassing, wordt vermeld:
      • 10de noodzaak voor het onttrekken van het grondwater;
      • 2 het aantal bestaande en geprojecteerde putten;
      • 3 de diepte van de onderkant en de bovenkant van het (de) filter(s) van iedere put ten opzichte van maaiveld en N.A.P.;
      • 4 de diameter en de lengte van het (de) filter(s) in iedere put;
      • 5 de pompcapaciteit van de inrichting in m3 per uur;
      • 6 de duur van de onttrekking;
      • 7 de maximaal te onttrekken hoeveelheden grondwater per uur, per maand, per kwartaal en per jaar, te splitsen naar de bestaande en geprojecteerde inrichting;
      • 8 het doel waarvoor het grondwater zal worden onttrokken;
      • 9 de plaats waar en de wijze waarop het gebruikte grondwater zal worden geloosd;
      • 10 plaats en type meetinstrumenten;
      • 11 de benodigde ontwateringsdiepte van de bouwput;
      • 12 de noodzaak voor de infiltratie van het grondwater;
      • 13 de wijze waarop water in de bodem wordt gebracht;
      • 14 de duur van de infiltratie;
      • 15 de te infiltreren hoeveelheden water per uur, per maand, per kwartaal en per jaar;
      • 16 de herkomst en de samenstelling van het te infiltreren water;
    • d. een beschrijving van de bodemgesteldheid, de stand en de samenstelling van het grondwater ter plaatse van de inrichting c.q. de infiltratie en de omgeving daarvan.
  • 2. Indien gedeputeerde staten dit nodig achten kan de aanvrager worden verzocht meerdere exemplaren van de aanvraag tot verlening of wijziging van een vergunning over te leggen, nadere gegevens over te leggen, alsmede inzicht te verschaffen in de gevolgen van de onttrekking of infiltratie voor de stand en de kwaliteit van het grondwater.

Artikel 6.9 Horen commissie

De Provinciale omgevingscommissie Flevoland behoeft niet omtrent de aanvraag om vergunning te worden gehoord, indien het een onttrekking of de wijziging daarvan betreft:

  • a. door middel van een inrichting die uitsluitend wordt gebruikt voor het drooghouden van een bouwput ten behoeve van bouwkundige of civieltechnische werken dan wel uitsluitend wordt gebruikt ten behoeve van een grondsanering, van 1.000.000 m3 of minder per jaar, dan wel een uitbreiding daarvan;
  • b. door middel van een inrichting niet inbegrepen onder a van 500.000 m3 of minder per jaar, dan wel een uitbreiding daarvan.

Hoofdstuk 7. Primaire waterkeringen

Artikel 7.1 Toepassingsgebied

Dit hoofdstuk is van toepassing op:

  • a. de dijkringgebieden 7 (Noordoostpolder) en 8 (Flevoland);
  • b. de verbindende primaire waterkeringen: Houtribdijk, kering Ramspol, Kadoelersluis en Roggebotsluis.

Artikel 7.2 Legger

  • 1. De legger, bedoeld in artikel 13, onderdeel b, van de Wet op de waterkering bevat, naast het daaromtrent bepaalde in de Wet op de waterkering, in ieder geval:
    • a. een lengteprofiel en dwarsprofielen, waarin de afmetingen, waaraan de primaire waterkering moet voldoen, zijn aangegeven;
    • b. een omschrijving van de kunstwerken en de bijzondere constructies die deel uitmaken van de primaire waterkering;
    • c. situatietekeningen met daarop aangegeven de ligging van een primaire waterkering met de vrijwaringszone en de onderscheidene zones waarbinnen de keur van Waterschap Zuiderzeeland van toepassing is.
  • 2. De vaststelling van de legger door een beheerder geschiedt met toepassing van de in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht geregelde procedure.

Artikel 7.3 Technisch beheersregister

  • 1. Het technisch beheersregister als bedoeld in artikel 13, onder c, van de Wet op de waterkering bevat, naast het daaromtrent bepaalde in de Wet op de waterkering tenminste:
    • a. een omschrijving van de feitelijke toestand van de kunstwerken en de bijzondere constructies die deel uit maken van de primaire waterkering;
    • b. situatietekeningen, lengte- en dwarsprofielen.
  • 2. Op de situatietekeningen en in de dwarsprofielen is de vrijwaringszone weergegeven. Tevens zijn op situatietekeningen weergegeven:
    • a. de invloedszones;
    • b. de kunstwerken en constructies die geen deel uit maken van de waterkering.

Artikel 7.4 Planvoorbereiding

De beheerder van de waterkering meldt een aan gedeputeerde staten ter goedkeuring ingezonden plan als bedoeld in artikel 7 van de Wet op de waterkering gelijktijdig aan gedeputeerde staten van andere provincies op wier grondgebied het plan niet wordt uitgevoerd, maar wier grondgebied wel deel uitmaakt van het betreffende dijkringgebied of op wier grondgebied de betreffende voorliggende primaire waterkering mede is gelegen.

Hoofdstuk 8. Regionale waterkeringen

Artikel 8.1 Toepassingsgebied

Dit hoofdstuk is van toepassing op de regionale waterkeringen die staan aangegeven op één of meer door provinciale staten vastgestelde kaarten.

Artikel 8.2 Veiligheidsnorm regionale waterkeringen

  • 1. Door provinciale staten wordt voor elke regionale waterkering een veiligheidsnorm vastgesteld in de vorm van een gemiddelde overschrijdingskans per jaar.
  • 2. Gedeputeerde staten kunnen een technische leidraad vaststellen voor het ontwerp van regionale waterkeringen. Deze strekt tot aanbeveling voor de beheerder van de waterkering.
  • 3. Gedeputeerde staten stellen voorschriften vast voor de door de beheerder van de waterkering te verrichten beoordeling van de veiligheid van regionale waterkeringen.
  • 4. Gedeputeerde staten stellen de hydraulische randvoorwaarden vast voor de door de beheerder van de waterkering te verrichten toetsing van de regionale waterkeringen.
  • 5. Gedeputeerde staten bepalen na overleg met de beheerder van de waterkering op welk tijdstip de verschillende regionale waterkeringen moeten voldoen aan de veiligheidsnorm, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 8.3 Legger

De beheerder van de waterkering draagt er zorg voor dat in de legger, bedoeld in artikel 7.2 de regionale waterkeringen zijn opgenomen. Artikel 7.2 is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 8.4 Technisch beheersregister

De beheerder van de waterkering draagt zorg voor de vaststelling van een technisch beheersregister, waarin de voor het behoud van het waterkerend vermogen kenmerkende gegevens van de constructie en de feitelijke toestand van de regionale waterkering nader zijn omschreven. Artikel 7.3 is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 8.5 Vijfjaarlijks verslag regionale waterkering

  • 1. De beheerder van de waterkering brengt, in het bijzonder vanwege de zorg die op hem rust voor de handhaving van de veiligheidsnorm, bedoeld in artikel 8.2, eerste lid, iedere vijf jaar verslag uit aan gedeputeerde staten over de algemene waterstaatkundige toestand van de waterkering. Gedeputeerde staten bepalen na overleg met de beheerder van de waterkering voor welk tijdstip het verslag voor de eerste maal wordt uitgebracht.
  • 2. Het in het eerste lid bedoelde verslag bevat een beoordeling van de veiligheid. Die beoordeling geschiedt onder meer in het licht van de ingevolge artikel 8.2, eerste, tweede, derde en vierde lid vastgestelde veiligheidsnorm, technische leidraden, voorschriften en hydraulische randvoorwaarden en de in artikel 8.3 bedoelde legger.
  • 3. Indien de beoordeling van de veiligheid daartoe aanleiding geeft, bevat het in het eerste lid bedoelde verslag een omschrijving van de voorzieningen die op een daarbij aan te geven termijn nodig worden geacht.
  • 4. Gedeputeerde staten kunnen met betrekking tot de inhoud van het verslag na overleg met de beheerder van de waterkering nadere voorschriften geven.

Artikel 8.6 Dijkversterkingplan regionale waterkeringen

  • 1. De versterking of verlegging van een regionale waterkering geschiedt overeenkomstig een door de beheerder van de waterkering vastgesteld en door gedeputeerde staten goedgekeurd plan.
  • 2. Het plan bevat:
    • a. de te treffen voorzieningen, gericht op de uitvoering van het werk ten aanzien van een regionale waterkering;
    • b. de te treffen voorzieningen, gericht op het ongedaan maken of beperken van de nadelige gevolgen van de uitvoering van het werk, voorzover die voorzieningen rechtstreeks verband houden met de uitvoering van het werk;
    • c. de te treffen voorzieningen ter bevordering van het belang van het landschap, natuur of cultuurhistorie, voorzover zij rechtstreeks verband houden met de uitvoering van het werk.
  • 3. In het geval een plan de verlegging van de regionale waterkering inhoudt, kan het de te treffen voorzieningen bevatten met betrekking tot de inpassing in de omgeving van het gebied tussen de plaats waar de oorspronkelijke regionale waterkering is gelegen en de plaats waar de nieuwe regionale waterkering komt te liggen.
  • 4. In de toelichting op het plan wordt aangegeven welke gevolgen aan de uitvoering van het plan zijn verbonden en op welke wijze met de daarbij betrokken belangen rekening is gehouden.

Artikel 8.7 Planvoorbereiding

  • 1. Op de voorbereiding van het plan is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.
  • 2. De beheerder van de waterkering betrekt bij de voorbereiding van het plan in ieder geval gedeputeerde staten en het college van burgemeester en wethouders van de gemeenten op wier grondgebied het plan wordt uitgevoerd.

Hoofdstuk 9. Wegen en vaarwegen

Artikel 9.1 Doelstelling

  • 1. Dit hoofdstuk stelt regels ter instandhouding van de bij de provincie Flevoland in beheer zijnde openbare wegen en vaarwegen en ter verzekering van het doelmatig en veilig gebruik van die openbare wegen en vaarwegen.
  • 2. Toepassing van dit hoofdstuk kan mede strekken ter bescherming van landschappelijke, ecologische of andere natuurwetenschappelijke waarden van het gebied waarin de openbare weg of vaarweg is gelegen, doch enkel voor zover daarin niet is voorzien door een in of krachtens een andere wet gestelde bepaling.

Artikel 9.2 Toepassingsgebied

  • 1. Dit hoofdstuk is van toepassing op:
    • a. openbare wegen en vaarwegen en de daarbij behorende kunstwerken en hetgeen verder naar de aard van de openbare weg of vaarweg daartoe behoort, in beheer bij de provincie Flevoland.
    • b. evenementen buiten het beheersgebied van de onder a bedoelde wegen voorzover de in artikel 9.1 eerste lid bedoelde belangen in het geding zijn.
  • 2. De in het eerste lid sub a genoemde openbare vaarwegen die in beheer zijn bij de provincie Flevoland zijn aangegeven op kaart 9.1.

Artikel 9.3 Verbodsbepalingen

  • 1. Het is verboden gebruik te maken van een openbare weg of vaarweg, anders dan waartoe deze is bestemd, door:
    • a. daarin, daarop, daaronder of daarboven werken te maken of te behouden;
    • b. daarin, daarop, daaronder of daarboven vaste stoffen of voorwerpen te storten, te plaatsen of neer te leggen, of deze te laten staan of liggen;
    • c. daarin, daarop, daaronder of daarboven op andere wijze dan vermeld onder a en b handelingen te verrichten.
  • 2. Het is verboden zonder schriftelijke kennisgeving aan gedeputeerde staten buiten de openbare weg, evenementen te houden, waarbij de in artikel 9.1, eerste lid bedoelde belangen in geding zijn;
  • 3. De schriftelijke kennisgeving moet acht weken voor het begin van het evenement bij gedeputeerde staten worden ingediend.

Artikel 9.4 Vrijstelling

Artikel 9.3 geldt niet voor handelingen ten behoeve van het beheer en onderhoud van de openbare weg of vaarweg door of in opdracht van gedeputeerde staten.

Artikel 9.5 Melding

  • 1. Degene die voornemens is een uitweg of een aanlegplaats aan te leggen of een bord of herdenkingsteken te plaatsen meldt dit tenminste vier weken voor de daadwerkelijke aanleg of plaatsing aan gedeputeerde staten.
  • 2. Bij een melding als bedoeld in het eerste lid worden de navolgende gegevens verstrekt:
    • a. het adres, de kadastrale aanduiding en een tekening of plattegrond van de locatie;
    • b. een tekening van de constructie en een opsomming van de gebruikte materialen;
    • c. de voorgenomen duur van het gebruik van de openbare weg of vaarweg anders dan waarvoor deze bestemd is.
  • 3. De in het eerste lid omschreven verplichting geld niet als een ontheffing als bedoeld in artikel 9.10 vereist is.

Artikel 9.6 Algemene regels uitwegen

  • 1. Artikel 9.3, eerste lid is niet van toepassing op het aanleggen en behouden van uitwegen indien wordt voldaan aan het tweede tot en met het vierde lid.
  • 2. De aanleg, de constructie en de aanwezigheid van de uitweg leveren geen schade op aan de openbare weg en leveren geen gevaar op voor het veilig en doelmatig gebruik van de openbare weg.
  • 3. Per vestiging van een bedrijf of woning is een uitweg toegestaan.
  • 4. Een uitweg voldoet aan de volgende technische specificaties:
    • a. uitwegen worden niet geplaatst binnen 200 meter van bestaande kruisingen wegaansluitingen, oversteekplaatsen, in- en uitwegen en bochten;
    • b. uitwegen zijn dusdanig geconstrueerd dat het verkeer vooruit rijdend de kavel in eenmaal op- kan rijden en ook in eenmaal vooruitrijdend de kavel af kan rijden;
    • c. uitwegen hebben een gesloten of elementenverharding..

Artikel 9.7 Algemene regels borden en herdenkingstekens

  • 1. Artikel 9.3, eerste lid is niet van toepassing op het aanleggen en behouden van herdenkingstekens en het plaatsen van borden in de berm van de openbare weg indien wordt voldaan aan het tweede tot en met het vijfde lid.
  • 2. De aanleg, de constructie en de aanwezigheid van het bord of herdenkingsteken mag geen schade opleveren aan de openbare weg en geen gevaar opleveren voor het veilig en doelmatig gebruik van de openbare weg.
  • 3. Borden en herdenkingstekens voldoen aan de volgende technische specificaties:
    • a. borden en herdenkingstekens worden niet geplaatst binnen 200 meter van bestaande kruisingen, wegaansluitingen, oversteekplaatsen, in- en uitwegen en bochten;
    • b. borden en herdenkingstekens zijn niet hoger en breder dan 0,8 meter en zijn voldoende stevig bevestigd in de grond;
    • c. borden en herdenkingstekens worden niet geplaatst binnen 1,8 meter van de asfaltverharding;
    • d. borden en herdenkingstekens worden niet geplaatst in de middenberm;
    • e. borden en herdenkingstekens spiegelen en fluoresceren niet, zijn niet verlicht en hebben geen bewegende delen;
    • f. borden dienen minimaal 0,5 meter en maximaal 2 meter boven het maaiveld te worden bevestigd;
    • g. borden worden niet geplaatst binnen 50 meter voor en na bewegwijzering of verkeersborden.
  • 4. Degene die een herdenkingsteken of een bord heeft geplaatst verwijdert deze twee jaar na plaatsing en herstelt daarbij de berm in de oorspronkelijke staat.

Artikel 9.8 Algemene regels aanlegplaatsen

  • 1. Artikel 9.3, eerste lid is niet van toepassing op het maken en behouden van aanlegplaatsen binnen de door gedeputeerde staten aangewezen gedeelten van vaarwegen indien wordt voldaan aan het tweede en derde lid.
  • 2. De aanleg, de constructie, de aanwezigheid en het verwijderen van de aanlegplaats leveren geen schade op aan de openbare vaarweg en leveren geen gevaar op voor het veilig en doelmatig gebruik van de openbare vaarweg.
  • 3. Wanneer de aanlegplaats een jaar of langer niet meer in gebruik is dient de aanlegplaats door of in opdracht van degene die de aanlegplaats in gebruik heeft gehad te worden verwijderd.

Artikel 9.9 Nadere regels

  • 1. Gedeputeerde Staten kunnen voor door hen aangewezen scheepvaartwegen:
    • a. regels stellen voor lengte, breedte en diepgang voor schepen;
    • b. regels stellen voor de bedieningstijden van bruggen en sluizen;
    • c. besluiten de scheepvaartweg aan het openbaar scheepvaartverkeer te onttrekken.
  • 2. De beheerders van de bruggen en sluizen dragen er zorg voor dat de bruggen en sluizen worden bediend op de door Gedeputeerde Staten vastgestelde tijden.

Artikel 9.10 Ontheffing

Gedeputeerde staten kunnen ontheffing verlenen van het in artikel 9.3 gestelde verbod indien de belangen bedoeld in artikel 9.1 zich daartegen niet verzetten.

Artikel 9.11 Aanvraag ontheffing

De aanvraag om ontheffing bevat tenminste de volgende gegevens:

  • a. de naam en het adres van de gebruiker van de ontheffing;
  • b. het adres, de kadastrale aanduiding en een tekening of plattegrond van de locatie;
  • c. een tekening van de constructie en een opsomming van de gebruikte materialen;
  • d. de voorgenomen duur van het gebruik van de openbare weg of vaarweg anders dan waarvoor deze bestemd is.

Hoofdstuk 10. Ontgrondingen

Artikel 10.1 Toepassing

Voor de toepassing van dit hoofdstuk worden twee of meer uit te voeren ontgrondingen die in elkaars directe nabijheid liggen en een samenhangend geheel vormen als één ontgronding beschouwd.

Artikel 10.2 Vrijstellingen

  • 1. Geen ontgrondingsvergunning is vereist voor ontgrondingen:
    • a. waarbij niet meer dan 500 m2 wordt ontgrond en
    • b. waarbij bovendien een diepte van 3 meter beneden maaiveld niet wordt overschreden.
  • 2. Geen ontgrondingsvergunning is vereist voor:
    • a. het aanleggen, verbreden en verdiepen van watergangen voorzover de ontgronding niet leidt tot een watergang met een insteek breder dan 15 meter en een diepte van meer dan 3 meter beneden het maaiveld, en mits daaraan een geldig besluit van het college van dijkgraaf en heemraden ten grondslag ligt;
    • b. het verbreden en verdiepen van watergangen ten behoeve van de aanleg van duurzame of natuurvriendelijke oevers, mits niet dieper wordt ontgraven dan tot 3 meter beneden het maaiveldniveau direct buiten de insteek, en de insteek aan weerszijden niet meer wordt verbreed dan met:
      • - 5 meter voor watergangen met een breedte tot 20 meter op het moment van inwerking treden van deze verordening;
      • - 10 meter voor watergangen met een breedte van meer dan
      • - 20 meter op het moment van inwerking treden van deze verordening;
  • c. het aanleggen, wijzigen of verwijderen van waterkeringen door of op last van het rijk, provincie of waterschap;
  • d. het maken of wijzigen van een bouwwerk krachtens een vergunning op grond van artikel 40, eerste lid van de Woningwet en het opruimen van een dergelijk bouwwerk;
  • e. het aanleggen, onderhouden, wijzigen en verwijderen van openbare wegen, spoorwegen, rioleringen en leidingen, mits dit plaatsvindt in overeenstemming met:
    • - een in werking zijnd en onherroepelijk bestemmingsplan als bedoeld in artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening of
    • - een provinciaal inpassingsplan als bedoeld in artikel 3.26 van de Wet ruimtelijke ordening,

    dat niet ouder is dan 10 jaar op het moment van ontvangst door gedeputeerde staten van de melding als bedoeld in artikel 10.3 of

    • - een onherroepelijk gemeentelijk projectbesluit als bedoeld in artikel 3.10 van de Wet ruimtelijke ordening of
    • - een onherroepelijk provinciaal projectbesluit als bedoeld in artikel 3.27 van de Wet ruimtelijke ordening of
    • - een onherroepelijke vrijstelling als bedoeld in artikel 19, eerste lid van de Wet op de ruimtelijke ordening voor zover deze vrijstelling zijn gelding heeft behouden danwel op grond van het in de Invoeringswet ruimtelijke ordening opgenomen overgangsrecht nog van toepassing is, of
    • - een onherroepelijk tracébesluit

en mits een diepte van 3 meter beneden maaiveld niet wordt overschreden.

  • f.bodemsaneringen door of op last van het provinciaal bestuur
  • 3. Het bepaalde in het eerste lid en het tweede lid onder a en b geldt niet voor:
    • a. ontgrondingen die primair gericht zijn op het winnen van oppervlaktedelfstoffen;
    • b. ontgrondingen met een diepte van meer dan 0,3 meter beneden het maaiveld in de op de kaarten 10.1 en 10.2 aangegeven gebieden en locaties.

Artikel 10.3 Melding

  • 1. Degene die voornemens is een ontgronding uit te voeren die ingevolge artikel 10.2 lid 2 is vrijgesteld van de vergunningplicht, meldt dit tenminste vier weken voor het daadwerkelijk ontgronden aan gedeputeerde staten. De melding wordt gedaan op een door gedeputeerde staten vastgesteld formulier.
  • 2. De verplichting tot melding is niet van toepassing op ontgrondingen waarbij de te ontgraven hoeveelheid minder is dan 1500 m3.
  • 3. Het eerste en het tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing met betrekking tot het uitbreiden of wijzigen van de ontgronding die ingevolge artikel 10.2, tweede lid is vrijgesteld van de vergunningplicht.

Artikel 10.4 Eenvoudige vergunningprocedure

  • 1. Het bepaalde in artikel 10, eerste en tweede lid, van de Ontgrondingenwet is niet van toepassing op ontgrondingen van eenvoudige aard, waarbij andere belangen niet of nauwelijks zijn betrokken en die betreffen:
    a. ontgrondingen in de op de kaarten 10.1 en 10.2 aangewezen gebieden en locaties, voor zover het ontgrondingen betreft met een diepte van maximaal 3 meter beneden het maaiveld;
    b. ontgrondingen in de op de kaarten 10.1 en 10.2 aangewezen gebieden en locaties met een diepte van meer dan 3 meter beneden het maaiveld, mits de ontgronding plaats vindt ten behoeve van archeologisch onderzoek voortkomend uit zuiver wetenschappelijke motieven;
    c. de aanleg van waterpartijen en –bassins waarbij een oppervlakte van 2.000 m2 en een diepte van 3 meter beneden het maaiveld niet worden overschreden en mits deze waterpartijen en –bassins niet in verbinding komen te staan met het watersysteem;
    d. Ontgrondingen ten behoeve van de aanleg van tijdelijke depotkades om baggerspecie te ontwateren waarbij de diepte 0,50 meter beneden maaiveld niet overschreden wordt en mits de ontgronding vanuit archeologisch oogpunt geen bezwaar oplevert.
  • 2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing in geval van wijziging van een vergunning betreffende verlenging van de geldigheidstermijn of betreffende de tenaamstelling.
     

Artikel 10.5 Aanvraag vergunning

  • 1. Een aanvraag tot verlening of wijziging van een ontgrondingsvergunning wordt schriftelijk in drievoud bij gedeputeerde staten ingediend. Gedeputeerde staten kunnen meer exemplaren eisen.
  • 2. Indien de aanvrager niet de eigenaar is van de te ontgronden onroerende zaak, legt hij een verklaring van toestemming van de eigenaar over.
  • 3. Indien de locatie behoort tot de op de kaarten 10.1 en 10.2 aangegeven gebieden en locaties legt de aanvrager een rapport over, waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van gedeputeerde staten in voldoende mate is vastgesteld.

Hoofdstuk 11. Bescherming landschap

Artikel 11.1 Toepassingsgebied en bijzondere begripsbepaling

  • 1. Dit hoofdstuk is alleen van toepassing buiten de bebouwde kom van de gemeente, zoals bedoeld in artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994.
  • 2. In dit hoofdstuk wordt verstaan onder de term borden: opschriften, aankondigingen, ver- of afbeeldingen, borden, vlaggen, spandoeken, bijbehorende constructies en kennelijk voor deze doeleinden gebezigde transportmiddelen, in welke vorm dan ook.

Artikel 11.2 Verboden

  • 1. Het is verboden één of meer borden als bedoeld in artikel 11.1, tweede lid te plaatsen, te doen plaatsen, geplaatst te houden, aan te brengen, te doen aanbrengen of aangebracht te houden op of aan een onroerende zaak.
  • 2. Het is de zakelijk gerechtigde of gebruiker van enige onroerende zaak verboden deze onroerende zaak te gebruiken of te laten gebruiken voor het plaatsen, doen plaatsen, geplaatst houden, aanbrengen, doen aanbrengen of aangebracht houden van één of meer borden als bedoeld in artikel 11.1, tweede lid.

Artikel 11.3 Uitzonderingen op de verboden

  • 1. Het in artikel 11.2 gestelde verbod geldt niet voor borden:
    • a. die niet zichtbaar zijn vanaf een openbare weg, een openbaar water, een spoorweg of een andere voor het publiek toegankelijke plaats;
    • b. die betrekking hebben op enig beroep, enig bedrijf of enige dienst, en die borden zijn geplaatst of aangebracht op de bouwkavel waar dat beroep, bedrijf of die dienst wordt uitgeoefend of op of in de directe nabijheid van de inrit daarnaar toe;
    • c. die zijn geplaatst of aangebracht op, in of aan een wachtruimte bij een halteplaats voor het openbaar vervoer;
    • d. die op of aan een onroerende zaak zijn geplaatst of aangebracht ten behoeve van de verkoop, verhuur of verpachting van deze zaak, mits niet langer aanwezig dan voor de verkoop, verhuur of verpachting noodzakelijk is;
    • e. die ofwel zijn geplaatst of aangebracht op een terrein waar een grootschalige publieke gebeurtenis zoals een openbare wedstrijd, manifestatie, tentoonstelling of evenement, plaatsvindt, ofwel zijn geplaatst of aangebracht ter bekendmaking van of de bewegwijzering naar die gebeurtenis en mits:
      • - die gebeurtenis niet behoort tot de gebruikelijke commerciële uitoefening van een beroep, bedrijf of dienst,
      • - op borden, die zijn geplaatst buiten het terrein waar de gebeurtenis plaats vindt, eventuele handelsreclame duidelijk ondergeschikt is aan de bekendmaking c.q. bewegwijzering en
      • - het bord niet langer aanwezig is dan gedurende één maand voor die gebeurtenis tot één week erna;
    • f. die zijn geplaatst of aangebracht op een overeenkomstig een bestemmingsplan in gebruik zijnd sportterrein;
    • g. die zijn geplaatst of aangebracht op een overeenkomstig een bestemmingsplan in gebruik zijnd bedrijventerrein;
    • h. die betrekking hebben op een werk in uitvoering, waarvoor van overheidswege opdracht is gegeven, voorzover zij in de directe nabijheid van het werk zijn geplaatst of aangebracht en niet langer aanwezig zijn dan de uitvoering van het werk duurt;
    • i. die zijn geplaatst of aangebracht in een wegberm en kunnen worden beschouwd als een herdenkingsteken als bedoeld in artikel 9.7;
    • j. die vanwege of met toestemming van het bevoegd gezag zijn geplaatst of aangebracht ten behoeve van de verkeersveiligheid of de verkeersinformatie;
    • k. die zijn geplaatst of aangebracht op of aan zuilen, muren en andere constructies, die daarvoor door de overheid zijn aangewezen of ten aanzien waarvan gedeputeerde staten in een ander kader met het gebruik daarvoor hebben ingestemd;
    • l. die zijn geplaatst of aangebracht ter voldoening aan een wettelijke verplichting;
    • m. die dienen tot het openbaren van gedachten of gevoelens in de zin van artikel 7 van de Grondwet, mits niet meer dan één bord per onroerende zaak wordt aangebracht en mits dat bord niet langer dan drie maanden ter plaatse aanwezig is;
    • n. die dienen tot het aankondigen van verkiezingen voor een gemeenteraad, provinciale staten, de Tweede Kamer, de algemene vergadering of het Europees parlement en tot het presenteren van daaraan deelnemende politieke partijen, mits niet langer aanwezig dan gedurende één maand voor de verkiezing tot één week na die verkiezing.
    • o. die dienen ter aanduiding van gewassen, proefvelden, productinformatie of demonstratievelden, ter plaatse waar het product geteeld wordt;
    • p. die dienen ter bewegwijzering naar een verkooppunt van agrarische producten, naar een mini-camping of naar een andere, aan het agrarisch bedrijf gerelateerde nevenactiviteit, mits het bord niet verlicht of reflecterend is en het oppervlak niet groter is dan 3 m2;
    • q. die dienen ter bewegwijzering naar een natuurgebied, mits het bord niet is verlicht of reflecterend is en het oppervlak niet groter is dan 3 m3.
  • 2. Borden als bedoeld in het eerste lid van dit artikel zijn deugdelijk geconstrueerd en verkeren in goede staat van onderhoud.

Artikel 11.4 Ontheffingen

Gedeputeerde staten kunnen ontheffing verlenen van het artikel 11.3 gestelde verbod indien het belang van de bescherming van het landschap en het belang van de verkeersveiligheid zich daartegen niet verzet.

Artikel 11.5 Aanvraag ontheffing

De aanvraag van een ontheffing bevat tenminste de volgende gegevens en bescheiden:

  • a. de naam van degene die de zakelijk gerechtigde of de gebruiker is van de locatie waar het bord is beoogd en een verklaring van deze waaruit blijkt dat hij instemt met het plaatsen of het aanbrengen van het bord;
  • b. het adres, de kadastrale aanduiding en een tekening of plattegrond van de locatie waar het aanbrengen van het bord is beoogd;
  • c. een beschrijving van de vorm en de afmetingen van het bord, en van het doel en de inhoud daarvan;
  • d. de voorgenomen duur van de plaatsing van het bord.

Hoofdstuk 12. Handhaving

Artikel 12.1 Verbodsbepaling

  • 1. Een gedraging in strijd met de voorschriften verbonden aan een vergunning als bedoeld in artikel 14, eerste lid van de Grondwaterwet is verboden.
  • 2. Een gedraging in strijd met de artikelen 9.3, 9.5, 9.6, 9.7, 9.8 en 11.2 of met één of meer voorschriften of beperkingen die aan een ontheffing als bedoeld in de artikelen 9.10 en 11.4 zijn verbonden is verboden.

Artikel 12.2 Strafbepaling

  • 1. Een gedraging in strijd met artikel 2.1, 4.2, 4.5, 4.6, 4.7, 4.8, 4.10, 4.12, 4.13, 4.18, 9.3, 9.5, 9.6, 9.7, 9.8 en 11.2 of met één of meer voorschriften of beperkingen die aan een ontheffing als bedoeld in de artikelen 2.2, 4.9, 4.14, 4.20, 9.10 en 11.4 zijn verbonden is een strafbaar feit.
  • 2. Gedragingen in strijd met artikel 9.3, 9.5, 9.6, 9.7, 9.8 en 11.2 of met één of meer voorschriften of beperkingen die aan een ontheffing als bedoeld in de artikelen 9.10 en 11.4 worden bestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of een geldboete van de tweede categorie.

Artikel 12.3 Toezicht

Met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens deze verordening gestelde zijn belast de door gedeputeerde staten aangewezen ambtenaren.

Hoofdstuk 13. Procedurebepalingen ontheffingen

Artikel 13.1 Aanvraag ontheffing

Een aanvraag voor ontheffing wordt schriftelijk bij gedeputeerde staten ingediend.

Artikel 13.2 Ontheffingsprocedure

  • 1. Op een aanvraag voor een ontheffing en het wijzigen of intrekken van een ontheffing is de in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht geregelde procedure niet van toepassing tenzij er sprake is van samenloop met een beschikking die met afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht wordt voorbereid.
  • 2. In afwijking van het eerste lid passen gedeputeerde staten afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht toe indien zienswijzen worden verwacht.

Artikel 13.3 Advies grondwaterbescherming

Indien een beschikking betrekking heeft op een in titel 4.3 opgenomen verbod worden in de gelegenheid gesteld advies uit te brengen over de aanvraag of het voornemen:

  • a. de inspecteur van de VROM-inspectie;
  • b. burgemeester en wethouders van de gemeente waarin de gedraging waarvoor ontheffing wordt gevraagd, plaatsvindt of zal plaatsvinden;
  • c. de directeur van het waterleidingbedrijf dat grondwater ten behoeve van de openbare drinkwatervoorziening onttrekt in Flevoland.

Artikel 13.4 Ontheffingverlening

  • 1. Gedeputeerde staten kunnen de ontheffing verlenen indien de belangen die deze verordening beschermt zich daartegen niet verzetten.
  • 2. Een ontheffing kan worden gewijzigd of ingetrokken ter bescherming van de belangen die deze verordening beoogt te dienen.
  • 3. Een ontheffing kan voorts worden gewijzigd of ingetrokken indien:
    • a. gedurende een aaneengesloten periode van meer dan een jaar na dagtekening van de ontheffing dan wel binnen een bij de ontheffing te bepalen andere termijn, van de ontheffing geen gebruik is gemaakt;
    • b. de in de ontheffing bedoelde werken of handelingen niet meer worden gebruikt of niet meer plaatsvinden.

Artikel 13.5 Ontheffingvoorwaarden

  • 1. Aan een ontheffing kunnen ter bescherming van de belangen die deze verordening beoogt te dienen voorschriften en beperkingen worden verbonden.
  • 2. Aan een ontheffing op grond van artikel 9.9 kan een financieel voorschrift worden verbonden voor het gebruik van de openbare weg of vaarweg.
  • 3. Een ontheffing geldt voor degene aan wie zij is verleend en voor zijn rechtsopvolgers, tenzij bij de ontheffing anders is bepaald.

Hoofdstuk 14. Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 14.1 Intrekken verordeningen

De Provinciale milieuverordening Flevoland, de Grondwaterverordening Flevoland 1996, de Ontgrondingenverordening Flevoland 2002, de Verordening waterhuishouding Flevoland, de Verordening waterkering Noord-Nederland, voorzover deze betrekking heeft op het grondgebied van de provincie Flevoland en dijkringgebied 7 en de Landschapsverordening Flevoland 2004 worden ingetrokken.

Artikel 14.2 Evaluatie

Gedeputeerde staten zendt binnen vijf jaar na het in werking treden van deze verordening, en vervolgens telkens om de vijf jaar, aan Provinciale Staten een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze verordening.

Artikel 14.3 Overgangsrecht plannen, ontheffingen en vergunningen

  • 1. De op de dag voorafgaande aan de datum van inwerkingtreding van deze verordening geldende besluiten die op grond van de verordeningen, bedoeld in artikel 14.1, zijn genomen blijven van kracht zolang het bevoegde bestuursorgaan niet anders heeft beslist.
  • 2. Op procedures op grond van de verordeningen als bedoeld in artikel 14.1 die zijn aangevangen voor de inwerkingtreding van deze verordening blijft het op dat moment geldende recht van toepassing.
  • 3. Een melding op grond van de Grondwaterverordening Flevoland 1996 die betrekking heeft op grondwateronttrekkingen dieper dan de op kaart 4.1 aangegeven maximale diepte wordt gelijkgesteld met een vergunning als bedoeld in artikel 14 van de Grondwaterwet.

Artikel 14.4 Overgangsrecht algemene regels voor boorputten

  • 1. Een melding of een vergunning voor een inrichting op grond van de Grondwaterverordening Flevoland 1996 ondieper dan de in kaart 4.1 aangegeven diepte, die voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze verordening respectievelijk is ontvangen of verleend wordt gelijkgesteld met een melding als bedoeld in de artikelen 4.8 en 4.13.
  • 2. Een bestaande boorput ondieper dan de in kaart 4.1 aangegeven diepte, die geschikt is voor de uitwisseling van energie en waarvoor de Grondwaterwet niet geldt wordt binnen twee maanden na inwerkingtreding van deze verordening te worden gemeld.

Artikel 14.5 Overgangsrecht bodemverstoringen

  • 1. Een melding of een vergunning op grond van de Grondwaterverordening Flevoland 1996 voor een inrichting tot een diepte van 20 meter beneden maaiveld die voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze verordening respectievelijk is ontvangen of verleend wordt gelijkgesteld met een ontheffing als bedoeld in de artikelen 4.9 en 14.4 indien voor de inrichting op kaart 4.1 een dieptegrens van 10 meter is opge¬nomen terwijl op grond van kaartnummer G6 van de Provinciale milieuverordening Flevoland een dieptegrens van 20 meter van toepassing was.
  • 2. Een bestaande bodemverstoring tot maximaal 20 meter beneden maaiveld, waarvoor de Grondwaterwet niet geldt, wordt binnen twee maanden na inwerkingtreding van deze verordening te worden gemeld. Deze melding wordt gelijk gesteld met een ontheffing als bedoeld in de artikelen 4.9 en 4.14 indien voor de bodemverstoring op kaart 4.1 een dieptegrens van 10 meter is opge¬nomen terwijl op grond van kaartnummer G6 van de Provinciale milieuverordening Flevoland een dieptegrens van 20 meter van toepassing was.

Artikel 14.6 Overgangsrecht peilbesluiten en legger regionale waterkering

  • 1. Een peilbesluit dat is goedgekeurd door gedeputeerde staten voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze verordening wordt tot 2010 gelijkgesteld met een peilbesluit als bedoeld in artikel 5.12.
  • 2. De legger voor de regionale waterkeringen wordt uiterlijk in 2015 door de algemene vergadering vastgesteld.

Artikel 14.7 Overgangsrecht wegen en vaarwegen

  • 1. Voor werken die ten tijde van de inwerkingtreding van deze verordening op grond van een privaatrechtelijke of publiekrechtelijke toestemming van de provincie Flevoland of haar rechtsvoorgangers aanwezig waren, wordt de door deze verordening vereiste ontheffing geacht te zijn verleend respectievelijk de vereiste melding te zijn gedaan.
  • 2. Een aanvraag voor een privaatrechtelijke toestemming van de provincie Flevoland die is ingediend voor inwerkingtreding van deze verordening en waarop nog niet is beslist, wordt geacht een aanvraag om ontheffing op grond van deze verordening te zijn.

Artikel 14.8 Overgangsrecht aanwijzing industrieterrein van regionaal belang

De aanwijzing van het bedrijventerrein Luchthaven Lelystad en omgeving zoals bedoeld in artikel 4.21 treedt op 1 januari 2008 inwerking.

Artikel 14.9 Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op een nader door gedeputeerde staten te bepalen tijdstip.

Artikel 14.10 Citeertitel

Deze verordening kan worden aangehaald als "Verordening voor de fysieke leefomgeving Flevoland".

BIJLAGE I

Borden milieubeschermingsgebieden voor grondwater

BIJLAGE II

Borden milieubeschermingsgebieden voor stilte

Bijlage III

Verboden inrichtingen in beschermingsgebieden grondwater

Lijst als bedoeld in artikel 4.6
(Categorieën van inrichtingen waarvan het verboden is ze in beschermingsgebieden op te richten)

Sbi-code bedrijfstype

Land- en tuinbouw

01.4 agrarische dienstverlenende bedrijven met opslag bestrijdingsmiddelen

Delfstoffenwinning

12.01 aardoliewinputten
12.03 aardolie- en gasexploratie (tijdelijke activiteiten)
19.2 zoutwinning (putten)

Lederwarenindustrie

24.1 lederfabrieken

Hout en meubelindustrie

25.23 houtconserveringsbedrijven (druk/vacuümprocessen of drenken e.d.)

Aardolie- en steenkoolverwerkende industrie

28.1 aardolieraffinaderijen
28.21 cokesfabrieken

Chemische industrie

29.2 kunstharsenfabrieken e.d.
29.3 kleur- en verfstoffenfabrieken
29.42 anorganische chemische grondstoffenfabrieken n.e.g.
29.49.3 grondstoffenfabrieken voor geneesmiddelen en fijnchemicaliën, p.c. >= 1.000 t/j
29.49.4 organische chemische grondstoffenfabrieken n.e.g.
29.51 verf-, lak- en vernisfabrieken
29.71 zeep-, was- en reinigingsmiddelenfabrieken
29.8 chemische bestrijdingsmiddelenfabrieken
29.91 lijm- en plakmiddelenfabrieken
29.92 chemische kantoorbenodigdhedenfabrieken
29.93 poetsmiddelenfabrieken
29.94 fotochemische productenfabrieken
29.95 springstoffen-, vuurwerk- e.d. fabrieken
29.99 chemische productenfabrieken n.e.g.

Kunstmatige en synthetische garen- en vezelfabrieken

30.0 kunstmatige en synthetische garen- en vezelfabrieken

Basismetaalindustrie

33.1 ruwijzer- en staalfabrieken
33.2 stalen-buizenfabrieken, p.o. >= 2.000 m2
33.41 non-ferro-metaalerts-voorbewerkingsbedrijven, p.c. >= 1.000 t/j
33.42 primaire non-ferro-metaalfabrieken, p.c. >= 1.000 t/j
33.43 non-ferro-metaalsmelterijen e.d., p.c. >= 4.000 t/j

Metaalproductenindustrie

34.4 overige constructiewerkplaatsen (excl. lakken), in open lucht, p.o.>= 2.000 m2
34.5 metalen meubelfabrieken e.d. (incl. lakken en moffelen)
34.6 metalen emballage industrie (incl. lakken en moffelen)
34.8 overige metaalwarenindustrie
34.93 metaaloppervlaktebehandelingsbedrijven:
- algemeen
- anodiseren, eloxeren
- chemische oppervlaktebehandeling
- galvaniseren (vernikkelen, verchromen, verzinken, verkoperen e.d.)

Elektrotechnische industrie

36.21 elektromotoren- en generatorenfabrieken
36.22 schakel- en installatiemateriaalfabrieken
36.92 lampenfabrieken
36.95.1 fabrieken voor gedrukte bedrading

Transportmiddelenindustrie

37.41 scheepsbouw- en reparatiebedrijven voor metalen schepen
t/m .45 >= 25 meter en/of
roefdraaien verbrandingsmotoren >= 1 MW
37.46 scheepsschilder- en schoonmaakbedrijven e.d.
37.47 scheepssloperijen

Groothandel

61.47 vloeibare brandstoffen: vloeistoffen o.c. >= 100.000 m3
61.51 chemische grondstoffen en chemicaliën voor industriële toepassing
62.91/.92 schroot, met schredders, persen
autosloperijen

Zeevaart

73.3 zeevaart laad-, los- en overslagbedrijven:
- steenkool
- olie, LPG e.d.
- tankercleaning

Binnenvaart

74.2 binnenvaart laad-, los- en overslagbedrijven:
- steenkool, opslagoppervlak ?>= 2.000 m2
- tankercleaning

Openbaar bestuur

90.6 land-, lucht- en zeemachtkazernes e.d.

Overige dienstverlenende bedrijven

98.11.2 vuilstortplaatsen
98.11.4 gemeentewerven, chemisch afval depots
98.13 afvalverwerkingsbedrijven:
- verwerking afgewerkte olie
- verbrandingsinrichting voor chemisch afval

n.e.g = niet eerder genoemd
o.c. = opslagcapaciteit
p.c = productiecapaciteit
p.o. = productieoppervlak
t/j = ton per jaar
>= = groter dan of gelijk aan

Kaarten

Dit regelingenbestand is geen bekendmaking als bedoeld in artikel 136 van de Provinciewet. De wettelijke bekendmakingen vinden uitsluitend plaats in de provinciale bladen. De provincie aanvaardt geen aansprakelijkheid voor verschillen tussen de teksten in dit bestand en die in de provinciale bladen.